|
Een concert met las Estrellas del Coquí kan alleen maar plaatsvinden op het enige eiland waar die boomkikker voorkomt: Puerto Rico. May Peters over repeteren in groezelige café's en de salsa gorda.
Op een donderdag in januari spoedde ik me na de repetitie met Rumba d
‘Gaspar naar een volgende repetitie. In de Puerto Rican Licor Store in
Guaynabo, een aftandse bar met lekkend golfplatendak, afbladderende
muren en verlopen stamgasten maar waar de Medalla slechts $1,25 kost,
vond de repetitie plaats van deze salsa gorda-band. Glimlachende
collega’s begroeten mij als ik salsadansend mijn trombone uitpak. ‘Para
curarme’, om me te genezen, met het klassieke salsa-repertoire van
Hector Lavoe en trombonist Willie Colón. De salsa gorda, de vette salsa.
Daarvoor ben ik immers ooit naar het eiland gekomen!
Wie is hij ook al weer, die trombonist? Een grove vijftiger die zo maar
mijn eerste trombonepartij speelt en zich meteen verontschuldigt: ‘Ik
ben dronken. Ben al de hele middag aan het feesten.’
Ik glimlach. ‘Heb je teveel pitorro op? Heb je niks meegenomen? Geef mij
maar een partij als het te heavy wordt.’
Zo’n boodschap moet je altijd
met tact brengen op een macho-eiland. Hoe slechter de trombonist, hoe
minder goed dat hij het kan verkroppen dat een vrouw naast hem de
lead-partij speelt en bovendien op de manier zoals deze stijl
voorschrijft: met kloten. De twee bandleiders hebben daarom zo’n schik
in mij.
Trombonisten zijn heel sociaal, daarom denk ik er goed aan te doen met
de dronken gast af te spreken om samen naar het concert te gaan.
‘Carlito’, zo stelt hij zich voor als ik zijn nummer in de pauze noteer.
Zodra een man zich voorstelt als ‘Kareltje’ of ‘Jantje’ moet je als
vrouw oppassen. Ik weet nu ook wie het is. Die flap op een feest bij
schilder Marcano die mij totaal geen ruimte gaf, letterlijk en ook in
muzikaal opzicht. Ik werd meteen in een competitie getrokken toen we
samen plena speelden. Verschrikkelijk.
Dit keer pas ik de tactiek teambuilding toe: buiten met een Medalla.
‘Weet je, over een week ga ik met pensioen,’ zegt Carlos. ‘Klaar ermee.’
‘Wat deed je dan?’ ‘Dertig jaar muziekles gegeven.’ ‘Ik ben al met
pensioen. Krijg elke maand mijn cheque. Wie doet mij wat?’ zegt Elvin, de andere trombonist en
blaast de sigarettenrook uit...
‘Verschrikkelijk. Ik moet er niet aan
denken dat ik niet meer kan werken,’ zeg ik: ‘Dat je niks meer voor je
land kan doen!’
De twee kijken me aan of ze het in Keulen horen donderen en dat is heel
ver. ‘Wat was dat nou voor onzin die jij vertelde over de trombone?
Trompettisten zijn toch haantjes en machos en blazen overal bovenuit?’
stook ik het vuurtje een beetje op: '‘Wij trombonisten zijn juist een
heel sociaal ras. Houden van eten en drinken. Luisteren altijd naar
elkaar. Zitten altijd tussen trompetten en saxen in.’
‘Nee, de trombone is het grootste macho-instrument,’ stelt Elvin,
eveneens een vijftiger, maar met een groot complex:‘Het is El trombón
en La trompeta.’ ‘Jesus, wat een onzin!’ Ik stamp op de grond. ‘Je kunt
zoveel klanken uit een trombone halen!’ ‘Ik bel je zo op dan heb je mijn
nummer,’ zegt Carlos. Dat heb ik toch al,’ zeg ik quasinaïef.
En we
gaan verder met repeteren.
Hij zou me nog zes keer bellen in de volgende 48 uur, onze Carlito.
Gelukkig hoor ik de telefoon niet. Maar goed, hij komt me dan toch
ophalen. Het is dat de stuurbekrachtiging van mijn eigen auto kapot is,
anders had ik toch van dit edelmoedig plan afgezien. In de auto zet ik
de radio zachter omdat ik niet eens versta wat Carlos allemaal vertelt.
‘Ik luister altijd naar la Zeta,’ zeg ik.
‘Ik nooit. Ik luister helemaal geen salsa. Ze draaien altijd het
zelfde.’ We rijden naar het verzamelpunt op de 1 naar Caguas. Carlos
houdt zijn mobiel van zich. ‘Jij bent muziekleraar,’ begin ik een
gesprek.
‘Ja, op een middelbare school. Man, ik ben blij als ik kan ophouden. Ik
ben te oud voor dat soort ongein.’ ‘Hoe oud ben je dan?’
‘55. Ik speel
alleen nog maar voor geld. Muziek als kunst beoefen ik al lang niet
meer.’
Nee daar was ik al achter, maar ik zwijg wijselijk. ‘Kan jij lezen wat
hier staat?’ Nou moet ik daar ook moeite doen met mijn tropenjaren hier.
‘Elvin.’
‘Ik snap niet waarom die klootzak niet opneemt. Ay, perdón.’
‘Bel Edgar
dan even op,’ de bandleider. ‘Edgar, ik ben… een-en-al-gevloek. Er zijn
hier twee Tegel-winkels.’ ‘Waar is dat?’
Een paar honderd meter verderop bij de winkel zie ik de silhouetten van
de jongens. ‘Daar staan ze!’ ‘¡Entonces!’ roep ik en begroet iedereen.
Ben er nog niet helemaal bij, na het optreden van gisteravond met Ivania
Zayas in haar geboorteplaats Salinas, waar je nooit wegkomt. ‘Groet je
geen arme mensen meer?’ vraagt Elvin mijn collega, maar die het niet
waard is zo genoemd te worden. Kan van lapzwanzigheid nauwelijks zijn
trombone vasthouden. Hij kan goed met Carlos overweg want ze gaan samen
met pensioen. ‘En doen dan niks meer.’
‘Wil je een slokje?’ vraagt timbalero Yosie en houdt me een fles voor. Bedenk dat mijn
lever veel te verwerken heeft van de afgelopen 48 uur, maar ach, een
slokje zelf gestookte rum, een natuurproduct, doet vast goed.
‘Ananas!’
‘¡Pitorro, pitorro!’ Salud, gezondheid.
Daar verschijnt bassist Robert die mij bij deze band heeft gehaald. Hij
heeft een prachtige nieuwe witte Chryssler C-300 waar ik bijna flauw
voor val. ‘El Chuchi is er ook,’ zegt Elvin. Iedereen schiet in de lach.
El Chuchi is de bijnaam voor een corrupte politicus.
Robert is een van
de weinige verantwoordelijke musici. Hij werkt op een bank en is een
hele goede bassist. ‘Het is hier om de hoek. Volg me maar,’ zegt Edgar.
We rijden achter zijn gele pick-up de bergen in. Overhangende bamboe
over een kronkelende weg. ‘Die verrekte jíbaros. Zeggen ze dat het om de
hoek is en dan is het midden op het eiland…’ moppert mijn chauffeur.
‘Als ik nog maar genoeg benzine heb…’ Wel, ja!
‘Wat is dat voor een feest waar we naartoe gaan?’
‘Een kerstfeest.’
‘Nog steeds, in februari?’ ‘We zitten nog in januari,hoor.
Puerto Rico viert de langste kerstperiode ter wereld. Het begint met
Thanksgiving, dan volgt Navidad, daarna Drie Koningen, dan las Octavitas
en vervolgens verzinnen ze weer iets anders. Het is iets van de Taíno,
de oorspronkelijke bevolking van het eiland. Als er iemand gaat trouwen
hoort daar een areito bij, een ceremoniële Indiaanse dans. Gaat er
iemand scheiden: areito. Wordt er een kind geboren: areito. Gaat er een
kind dood: areito. Wordt er oorlog gevoerd: areito.'
Na twintig minuten slingeren, draait Edgar een scherpe bocht omhoog. We
komen uit bij donkere vlakte. Een wiebelende zaklamp wijst ons de weg
die achter een schuur verdwijnt. De ‘parkeerplaats’ met scherpe, grijze
stenen. Ik stap uit. De geluiden van een tropische nacht in de bergen
komen me tegemoet. Een galmend koor van coquís, een voortdurend zoemen,
krekels, de wind in de palmen. Wauw!
Wat is het donker.
‘De stroom is uitgevallen.’ ‘Dan kunnen we niet spelen,’ zegt Robert.
‘Oh, jawel,’ zeg ik. Ik begin gewoon met een parranda. En de ritmesectie
doet mee. Onlangs overkwam me hetzelfde met de salsameiden. Toen onze
groep werd aangekondigd, viel de stroom uit. Het enige wat er voor ons
op zat was keihard ‘El Jolgorio’ te gaan spelen.
Ik begin te buzzen. De
jongens lachen. Uit verschillende hoeken komt licht van het vuur. De
carne frita, gefrituurde stukjes varkensvlees, worden in een grote ketel
op schrootjeshout gebakken.
Een mooi podium rechts, en links de paardenstallen. Tafels en stoeltjes
her en der en rechts naast de schuur staat de bar. Een rilling loopt
over mijn rug. Het is afgekoeld door de lichte regen.
Normaal gesproken
heb ik genoeg natuurlijke vetten om elk temperatuursverschil aan te
kunnen. Toch maar even naar de bar dan.
Het is geestig hoe inventief de Puerto Ricaan is in het voorzien van
drank. In twee blauwe vaten, plat op de grond, zit een luikje. Ik houd
mijn oplichtende mobiel er boven.
In het ene vat zit Coors Light, daar
moet ik niks van hebben. En in het andere vat zwemmen gouden blikjes in
een zee van ijsklontjes. Dit is mijn vat: Medalla.
Ik ga met mijn koude verovering aan een ronde tafel zitten. ‘Hallo May,
ik wil je even mijn vrouw en dochter voorstellen,’ zegt de congero. Dat
vinden ze altijd erg belangrijk, je voorstellen aan hun familie. Leuk!
‘Encantada’.
Boven het vuur heerst een professionele bedrijvigheid. Ik
ga kijken. Een man schept de carne frita uit het vet en gooit ze
vakkundig op een aluminiumschaal, waar witte uienringen in liggen.
Dit is immers een ranch. Daar hebben ze behalve verstand van vee ook
veel affiniteit met alcohol en gebraden vlees. Hoe meer, hoe beter!
Plots gaat het licht weer aan. Dan zie ik hoe groot het terrein is. Een
koord met brandende gloeilampjes verlicht het feestterrein. We kunnen
meteen opbouwen. Met alleen een shirt aan, voel ik de kille bergwind
mijn rug strelen. ‘Ik heb een jas in de auto,’ roept Edgar. ‘Er bestaat
toch ook iets dat je kunt innemen en dan krijg je het warm?’
‘Pitorro,’
glundert Yosy, ‘Dat hebben ze hier.’
Natuurlijk hebben ze dat in de bergen. Puur uit noodzaak haal ik een
‘palo’. ‘Coco’. Oh, goddelijk. ‘Salud,’ zegt iemand naast me. Een
glimlachende zestiger met een grote witte cowboyhoed klinkt met me. ‘Jij
bent May Peters, he?’ Ik knik, verbaasd.
‘En jij bent cocola (salsera) en geen gringa.’ Hij ziet mijn blik. ‘Ik
ben Carlos, een vriend op Facebook. Toen ik vroeg of je Amerikaanse was,
zei je dat tegen mij.’ Ik schiet in de lach.
‘Ja, weet je, ik heb zo
ontzettend mijn best moeten doen om op dit eiland te kunnen wonen,
allemaal in naam van de salsa. Nu heb ik een journalistenvisum.’
Al gauw staat er een aantal cowboys mee te luisteren. ‘Ik heb een boek
geschreven toen ik les gaf op het Conservatorium. Toen kreeg ik het
nieuwe visum niet op tijd binnen! Verschrikkelijk!’ ‘En hoe lang woon je
hier al?’
Sinds 1994, zeven jaar.
‘Oooh, dan ben je van je ons!’ ‘Ay, bendito.’
Ze schieten in de lach om
de typische Puerto Ricaanse verzuchting. ‘En waarom kwam je naar Puerto
Rico?’ ‘Voor de salsa en de Amerikaanse auto’s. Ik begon bij Eddie
Santiago en Plena Libre.’ ‘Echt waar? Wauw!’
‘Zeg, wat is dit eigenlijk voor feest?’ ‘Een cabalgata. Hier komen alle
ruiters bijeen.’ ‘En waar zijn die nu dan nog?’ ‘Ja, we wachten nog op
een paar. Ze zijn vanmiddag om drie uur vertrokken en maken een tocht
door de bergen.’ ‘En stoppen ze dan bij elke kroeg om er eentje te
nemen.’ ‘Haaaaaa!’ ik kom niet meer bij.
Oh, die zie ik dus ‘s avonds in
het donker. Dribbelende volbloedpaardjes op de weg met een ruiter die
veel te groot is voor het dier. Ik vroeg me altijd af van welk ras de
paarden zijn. Ze lijken erg op Hackney-paarden, ook een dribbelaar. Het
blijkt een paso fino, een Puerto Ricaans gefokt ras dat kleine pasjes
maakt. ‘Volgens mij moeten we op.’
Mijn echte 'lievelingseten' is la salsa gorda. Maar door de temperatuur
lijken onze trombones wel gekrompen. De gasten naast me produceren
sowieso al een toon als een oude krant. Ik probeer te stemmen tijdens
het spelen. Kraaienvals. En als ik een unisonolijntje even niet meespeel
hoor ik het beter: knettervals spelen die twee.
Omdat ik via de noten geen contact kan maken, probeer ik het met
danspasjes. ‘Ik word betaald om te spelen, niet om te dansen,’ zegt de
brombeer. ‘Man, een beetje beweging is goed voor je gezondheid,’ pareer
ik. Elvin moet lachen, en doet een paar danspasjes die hij nog uit de
tijd met Palmieri kent. Met wie hij dertig jaar geleden in Amsterdam
speelde. En sindsdien studeert hij geen trombone meer, als je het mij
vraagt.
‘Jongens, we moeten even stemmen!’ zeg ik als het eerste stuk afgelopen
is. ‘We zitten hier niet bij de Sinfónica. Geen hond die het hoort,’
meent de gepensioneerde brombeer naast me. ‘Ik wel. En ik ben hier voor
mijn lol, weet je!’
Hij pakt de microfoon. ‘Dames en heren, wil de auto met kenteken plaat
KMXXXX-3784028399 de kentekenplaat verwijderen.’ De jongens lachen. Snel
weg van hier, naar mijn fans.
‘May, dit is Gerardo. Vertel hem met wie je gespeeld hebt!’… Wauauauw.
‘Ja, maar nu heb ik drie bachileratos. En het enige waar ik echt geld
mee had kunnen verdienen in Puerto Rico was een cursus
LTS-motorvoertuigentechniek.’
Gelach.
‘Ik kwam naar Puerto Rico voor de salsa en de Amerikaanse auto’s. En
elke gage die kreeg met het orkest van Elias Lopés ging op aan mijn
Lincoln Towncar uit 1990.’ ‘Heb je ook met hem gespeeld?’
‘Ja, ik
speelde twee jaar in zijn orkest. En we begeleidden onder meer Lalo
Rodríguez, Andy Montañez.’ Nog een pitorro?' 'Ja, heerlijk!'
We lopen de stallen in, waar verschillende paarden staan. ‘Mijn opa was
een paardenhandelaar in de tijd dat er nog geen tractoren waren in
Europa en al het werk met paarden gedaan moest worden.’
Zou hij zich kunnen voorstellen dat mijn opa Belgische trekpaarden fokte
en daarmee Nederlands kampioen werd?
‘Kijk, dit is een Colombiaans
ras.’ Een mooi glimmend, zwart paardje.
‘De manen zijn kort geknipt. Dat hoort bij dat ras. En dat is een
appelschimmel. De manen vallen links, zie je?’ Het paard van
Sinterklaas, denk ik. ‘Als ie bezweet is dan wordt de plek bij zijn been
helemaal zwart,’ vertelt de eigenaar.
‘Dit is de trombonist uit Nederland.’ ‘Trombone? Maar dat is toch heel
moeilijk?’
‘Heel moeilijk!’ zeg ik met bloedserieuze blik en buzz El Jolgorio met
mijn lippen. Er klinkt weer muziek en ik kijk achterom. Ons orkest is
van formatie veranderd. Vijf musici bespelen een pandareta, een
traditionele tamboerijn en ze slaan ze zowat aan gort. Geweldig. Ik hoor
ook een verzopen trompet.
Ja, in Puerto Rico is muziek zoiets als
ademhalen. Een groot gedeelte van de bevolking denkt dat ze daar niks
voor hoeft te doen, louter in – en uitademen. Goed idee. ‘k Ga dat nog
maar even oefenen in deze gezonde berglucht. In- en uitademen.
Tot ze
een nummer van Eddie Palmieri spelen.
De salsa gorda overvalt me. Bij het kookpunt in de muziek moet er een
moña gespeeld worden, een stukje dat door de koperblazers wordt
verzonnen. Ik word als het ware het podium opgezogen. De brombeer speelt
tot mijn verbazing piano. Goed zo, ver van mij vandaan.
De leider wijst naar me en ik speel zo’n solo waarbij je buiten je zelf
treedt en je geen last meer hebt van bromberen. Dankzij mijn dagelijkse
discipline van 1,5 uur studeren, een uur mediteren op het strand en de
Spaanstalige versie doorspitten van ‘Vrouwen die met Wolven rennen’,
over het loskomen van het Ego en het volgen van de Ziel, kan ik me
helemaal in de solo uitleven.
Als ik het applaus in ontvangst neem, staat naast me een man te klappen.
Kijkt me stralend aan en zegt: ‘U bent de trombonist die bij het 55
Jubileum Concert van la Sonora Poceña speelde, he?’ ‘Ja, dat klopt,’ zeg
ik glimlachend. ‘Ik wil graag bij u op les.’
De rest van de avond maakt hij alleen maar foto’s. Terwijl ik af en toe
in elkaar krimp van twee knettervalse instrumentalisten met het grootste
macho-instrument van het eiland, kan ik me nu gelukkig ook concentreren
op de good vibrations en me verbinden met het universum.
Hoewel het
moeilijk blijft om de frustratie buiten te houden over de man die meent
dat hij na elk nummer een flauwe grap door de microfoon moet maken omdat
ik de sterren van de hemel speelde.
Ik zie louter stralende mensen om mij heen, de pianist, de timbalero,
Edgar.
Behalve de ego’s links dan, maar die gaan volgende week met
pensioen. ‘En dan doe ik helemaal niks meer,’ geheel volgens dat
vreselijk liedje van el Gran Combo, een geslaagde persiflage op de
niksnutten van Puerto Rico. Daar word ik helemaal akelig van. ‘No hago
más na.’
|