Nieuwsbrief

Schrijf u in voor de nieuwsbrief.







colofoncontactadverteerdersabonnement

De verjaardag van Babalu-Aye Afdrukken E-mail
Geschreven door May Peters   
Monday 19 December 2011
babalu-aye.jpgEen week geleden ontving May een uitnodiging van sociologe Dominga Flores om half december de verjaardag van de oude Babalu-Aye te vieren. Met rituelen en orichas uit de Santería en mystieke trommels en het favoriete eten van Babalu-Aye: carne tasajo. Het is natuurlijk onbestaanbaar dat May daar niet bij zou zijn.

De uitnodiging van Dominga:
‘Op vrijdag 16 december verzamelen we ons onder de majestueuze en heilige Ceiba, om zo om middernacht zaterdag 17 december zijn verjaardag in te luiden. De Babalao, priester, professor Pascual Flores zal een lezing houden over de oorsprong en het leven van deze beroemde strijder. Rond middernacht verwelkomen we de nieuwe dag met goud voor de oricha’s (de zeven goden in het Santería-geloof) uitgevoerd door Babalao maestro Hector Calderon en zijn groep. Daarna begint NFinda Batalla met zijn Spirituele en Mystieke Trommels. Dit jaar genieten we van het favoriete eten van de oude man: Carne tasajo (oud, sesina) met rijst, zwarte bonen en zoete aardappel; en een minestronesoep van verschillende peulvruchten.
Kom me vergezellen om deze speciale strijder te eren. Dat we samenkomen, jij en ik, wij. Kom, ik nodig je uit me te vergezellen om deze belofte in te lossen en een collectief te vormen. Dat klinkt goed en bovenal: men voelt zich ook veel ‘betel’ (Puertoricanen spreken de ‘r’ bijna uit als een ‘l’).

Het idee is dat we samen komen in deze zo culturele tijd van het jaar en dat wij in geest delen met Oscar Lopez Rivera, Avelino en Norberto Gonzalez Claudio, met onze voorouders, met al onze geïncarneerde helden en heldinnen. Laten we hun aanbidden en bewonderen en ons respect betuigen. Wat kan je meenemen naar het Feest? Een kaars of veldbloemen, of wat je ook maar wilt offeren. De kleuren die bij Babalu-Aye horen zijn paars en goud.
Als je wilt, mag je je kleden in zijn kleuren. Men raadt de vrouwen aan een tulband te dragen. Laten we onze broederschap verwezenlijken, iets wat ons altijd als volk gekenmerkt heeft. Zoals pater Alvaro de Boer altijd zei: Kom, en durf gelukkig te zijn!’

Ik ken Dominga van het feest van de Vlag, afgelopen april. Haar boerderijtje ligt vlak aan de kust in Vega Baja. Ze nodigde me die zondagmiddag uit en er was ook toen al een betoverende sfeer in haar bamboetuin. Een podium, veel muziek, veel eten en veel mooie mensen. Nu had ik de Nederlandse studenten Laura en Daphne, met vriend Raas, al op de hoogte gesteld. In plaats van reggaetón en plat blank gedoe, wilde ik hen aan authentiek Puerto Rico laten proeven.
Mijn oud-buurvrouw Baby is al jaren santera, een praktiserende van het geloof dat onder meer de Afrikaanse Yoruba-slaven meenamen en integreerden met rituelen uit het Katholicisme. Het is een syncretisme geworden in de Cariben. ‘Je moet een tulband om,’ had Baby me verteld: ‘En absoluut geen zwarte.’ God, ja, die prachtige doeken die men hier als klederdracht draagt, en die men op een speciale manier om je hoofd knoopt.
Het lijkt op wat mijn moeder droeg, thuis op de boerderij in Limburg. Die we zelf over ons haar droegen als het hooi binnengehaald werd. Dan stonden wij uren in stofwolken aan een grote hooizuiger die het hooi via buizen de hooiberg op blies. Zo’n doek dus… waarvan ik er god weet hoeveel in Nederland heb, maar geen enkele hier. Ik begeef me op weg om driehonderd meter verderop in Ocean Park de jeugdige onderzoekers op te halen.

Nadat ik eerst twee uur zat te wachten op de bandleidster van de salsaband waarvan ik muzikaal leider ben. Ik had een nieuw arrangement opgestuurd en er nog niks over gehoord. Laat los! Vertrouwen en harmonie, dat zijn de bouwstenen voor spirituele groei. Ik lach als ik de meiden de weg op zie komen. Daphne lijkt zo van een kameel te zijn gestapt, met kettingen en kralen en een lange rok en Laura van een muildier, in een korte short en een paars shirt.
Afrika is Afrika, of het nou het Noorden is of het Westen. ‘Is het too much?’ vraagt Daphne. ‘Welnee!’roep ik opgetogen, ‘in de Cariben is de kleding van vrouwen nooit too much.’ We hebben zo’n Libanese sjaal omgebonden. ‘Geweldig! En precies de kleur van Lazarus. Prachtig!’ Ik stap verrukt in mijn net opgeknapte Chevy Sport. Na drie kwartier snelweg duiken we het binnenland in. Het is pikkedonker. Vriend Raas zit naast me en leest de routebeschrijving. ‘Spannend!’ hoor ik wel tien keer van achter uit de auto. ‘Ah, ja , dit herken ik nog.’ ‘Wat is het waar we naar toe gaan?’vraagt Laura. ‘Het is een religieuze viering van Sint Lazarus, die noemen ze Babalu Aye in de Santería. Het geloof dat de slaven meenamen uit West-Afrika. De Spanjaarden vonden het oké, zolang ze maar Katholieke Heiligen aanbaden. En creatief als ze hier zijn, was dat geen probleem.’

Moeiteloos werden de ‘Siete Potencias’ (orichas), zeven Goden en hun kinderen, omgedoopt tot de Santos uit de Bijbel. Zo konden de Afrikanen doorgaan met hun vieringen. Veel batá-trommels, gebeden in verschillende Afrikaanse talen en regionen uit Nigeria (Lucumí, Yoruba, Arará) speciaal voedsel, offerandes, reinigingen, en dansen. Niet alleen de zwarte gemeenschap beoefent de Santería. Inmiddels heeft het geloof niet veel meer met huidskleur te maken, wel met intellectuelen.
Bij Dominga komen vooral mensen van de Universiteit. Zo is de saxofonist Ricardo Pons zelf tot babalao gewijd. De gebeden gaan ook helemaal in het Yorubá, Lucumí of Arará. Santería leeft sterk op Puerto Rico. Elk mens krijgt zijn eigen god toegewezen.
‘Hoe werkt dat dan?’ vraagt Laura. ‘Die God, oricha heeft bepaalde kenmerken. Een priester bepaalt aan de hand van je geboorte, je karakter en je smaken wat jouw god is. Ik heb zelf ontdekt dat Ochún bij mij hoort. Mijn lievelingskleur rood is de kleur van Ochún. En al dat vuur!’

De routebeschrijving klopt. ‘Maar die school, waar we links af moeten, heb ik nergens gezien.’ Edoch, in het aardedonker ziet de harem achterin een geel bord met overstekende kinderen weerkaatsen. ‘Dit moet het zijn!’ ‘Wat goed!’ Fijn om in gezelschap te verkeren dat een geheel nieuwe visie heeft op de Puertoricaanse bewegwijzering. Na een kilometer of drie weer een kruising. Ik wacht, voel en zeg dan: ‘We moeten hier links.’ ‘Ja, joh?’ ‘Ja, weet je wat ik heb gedaan?

Geluisterd naar mijn innerlijke TomTom. Man, mijn gevoel voor brujería is zo toegenomen de laatste jaren hier in Puerto Rico. De hekserij dus. Maar ik bedoel dan vooral: de goede hekserij.’ ‘Echt?’ klinkt het diep onder indruk. Ha! Bij een café vier kilometer verderop toch maar even de weg vragen. ‘Dominga, la prieta? De zwarte?’ ‘Ja, die!’ ‘Die is volgens mij al stevig aangeschoten,’ zegt Laura. Maar we zijn inderdaad warm. Een zandweg naar rechts… Volgens mij?
Ik vraag het nog een keer. ‘Daar waar u net stil stond, daar moet u inderdaad rechtsaf.’ Het werkt echt, mijn innerlijke TomTom. We stappen uit op een weiland dat als parkeerplaats dienst doet. ‘Spánnend!’ We lopen de diffuus verlichte deel op. Links op een stoel zit een man in het wit gekleed, een sigaar in de hand en een hoed op: Chayán, de man van Dominga. ‘Aaaah, de trombonista.’ Ik geef hem een zoen en stel mijn gezelschap voor ‘Wat goed dat jullie er zijn!’ zegt hij glimlachend: ‘Doe alsof je thuis bent. Ga lekker zitten daar achter. Kijk rond. Wat je wilt.’
De tuin heeft de juiste mystiek. Aan de grote Ceiba-boom hangt een Puertoricaanse vlag van drie bij vier meter. In een kring zijn lampjes opgehangen en achterin de tuin staat een kleurrijk altaar. Tussen metershoge bamboe en andere bomen staan wat bankjes en stoelen. Verderop aan de rechterkant is een kleine ranch met houten afrastering: het geitenhok. Voor ik er erg in heb, hoor ik vanuit het halfduister: ‘We hebben hier een aai-ezel!’
Ik zie schimmen in lange gewaden. Goed zo. Ik loop terug en ga via de houten trap het huis binnen. Het hout straalt zoveel warmte uit. Een vleugel aan de linkerkant en aan de muur foto’s van vrijheidstrijders, revolutionairen. Che Guevarra zonder pet, Fidel, el Grito de Lares (de grote opstand op Puerto Rico), dichteres Julia de Burgos, een herdenking van de slachtpartij in Ponce, Malcolm X, zelfs Chaves kijkt de kamer in. Een borstbeeld van Beethoven op de piano.
‘Het lijkt wel een museum,’ hoor ik achter me. ‘Aaaah, daar zijn jullie.’ Laura zit alweer aan een hond. ‘Hij heet Sable,’ zegt Dominga. Een grijze, magere herder (slank zijn die honden hier allemaal) maar met een glimmend vel. Hij heeft het hier goed. ‘Dominga, wij hebben geen doek. Heb jij een tulband voor mij?’ vraag ik haar. Ze heeft zelf een jute gewaad aan met een paarse onderrok en inderdaad een prachtig paarsgouden doek om haar hoofd geslagen. ‘Jaaa, ik kan dat alleen bij me zelf. Maar ik vraag mijn nichtje even.’
‘Zeg, die pater Alvaro de Boer, is dat die Nederlandse missionaris in Bayamón?’ ‘Ja, dat was ie.’ ‘Is hij inmiddels overleden? Ja, iedereen vertelde me over zijn ziektebed en hoe geliefd hij was. Weet je dat hij trouwens dezelfde achternaam heeft als mijn moeder: De Boer.’ ‘De Boher. Echt waar? Zie je, we zijn verbonden!’ zegt Dominga.

‘Waarom moet je eigenlijk zo’n hoofddoek om?’ ‘Je hoofd is een antenne,’ begint ze: ‘En bij deze rituelen komen ook negatieve geesten. Je bent zo beschermd tegen hen.’’Dat meen je niet!’ ‘Ja,’ glimlacht ze. Dat is het, natuurlijk! Daarom ga ik hier als een speer! Drie arrangementen per week schrijven, twee uur per dag trombone studeren, een uur op het strand mediteren en aantekeningen maken voor mijn nieuwe boek.
Ik sta hier constant bloot aan alle vibraties die ik binnen krijg. En zeker als je aan de rand van een Oceaan woont onder een knalblauwe hemel. Als musicus ben je zo al supersensibel! En dan moeten we natuurlijk niet hebben dat kwaaie geesten binnendringen. Dus dan maar gauw die doek op. Raas krijgt een originele witte pet. Hij lijkt nu echt een santero, hoewel hij zichzelf meer identificeert met een… golfer..
En daar komt nichtje Ortensia al aan, zelf ook santera. Letterlijk in een handomdraai heb ik een witte doek over mijn bos haar - in de tropen groeit alles veel sneller. Ook haren en nagels -. ‘Hebben jullie al iets te drinken?’ vraagt Chayán op het moment dat Daphne dorst begint te krijgen. We zijn allemaal energie, en we zijn allemaal verbonden. ‘Neem gerust iets. Daar is de bar,’ en hij wijst naar links.
Een vriendelijke jongen staat achter een semi-professionele bar, in de ruimte waar een heel buffet tafel staat, onder de porch. ‘Een biertje?’ vraagt Daphne. ‘Heerlijk.’ Terwijl ze me een Medalla aanreikt, zegt ze verrukt: ‘Ik hoef niks te betalen.’ ‘Neeee, in vertrouwen,’ zegt de jongen.
‘Wat is dit?’ vraagt Laura aan hem. Twee flessen, een in een lederen hoes en een andere gevuld met kokosnootvlees.
‘Wil je een pitorro?’ vraagt de jongen op zijn beurt.
‘Oohhh! Sabrrrroso.’
‘Is dat een shot?’
‘Queridas, dit is de beroemde illegale rum van Puerto Rico. Die wordt clandestien gestookt. En dan wordt ie bewerkt. Je voegt er een vrucht aan toe, zoals kokos, tamarinde, druif, guayaba, ananas. Dan bewaar je de drank een aantal maanden onder de grond, zodat de rum de smaak overneemt. Dat proces heet ‘curar’, genezen. Rond Kerst wordt-ie uit de grond gehaald.’

Een man naast me mag ook graag een cañita drinken, de andere naam voor deze rum. Hij zuigt zijn wangen in: ‘Ay, wat doet dat een mens goed.’ ‘Ja, he?’ ‘Woooow, wat is dat spul sterk!’ hoor ik Daphne zeggen. Ik schiet in de lach. ‘Jullie zijn toch van de shots? Nou!’ ‘Oh, ik heb zo’n zin in carnaval!’ roept ze dan. Ze krijgt teveel zuidelijke prikkels binnen, dat moge duidelijk zijn: mijn Limburgse tongval, aan een bar, in de rechter hand klein plastic borrelglaasje pitorro en in de andere hand een koud blikje bier. Sta je daar in een magische tropische nacht en dan denk je natuurlijk aan … carnaval!
‘Ze beginnen nu al aangeschoten te raken,’ constateert Raas droog. ‘Jij hebt nergens last van, he?’ vraagt Laura. ‘Amigas, punt een: bén ik een Limburger, punt 2: ben ik 1,5 keer zoveel als jullie, punt 3: ga ik jullie nog wel les geven in drinken. Een goede bodem, en dan met het grootste nut! Niet klakkeloos alles naar binnen gieten!’ Ach, met welke verve bekleed ik toch mijn officieuze rol als onderzoeksbegeleider in Puerto Rico voor Nederlandse studenten.
Daar komt een vrouw in het rood gekleed aan. Tikt Raas op de schouder: ‘Ben jij May?’ ‘Nee, die staat daar,’ zegt Daphne. Ja, niemand kent mij natuurlijk met die doek om. Zij vliegt mij vervolgens om de hek. ‘Hallo, May!’ Ik schiet in de lach. Zij draagt haar zwarte haar los, maar ik herken haar evengoed niet. ‘Ik ben hier met een paar studenten uit Alaska. Vertel me over je project.’ Ha…’Nou, dit zijn twee studenten van een van de oudste Universiteiten in Nederland: Leiden en ze komen hier onderzoek doen.’ ‘Stel ze dadelijk even aan me voor.’ ‘Goed zo, doe ik.’…
Dominga neemt nu de microfoon en gaat voor het kleurrijke altaar staan. Ze begint met een ontroerend woord van welkom. ‘Ik vind het zo bijzonder dat jullie er allemaal zijn. Onze gasten uit Nederland. May vertelde dat haar moeder dezelfde naam heeft als pater Alvaro. Dus daar is ergens een bloedband. Mijn feesten hebben ook altijd een educatieve toon. Het is niet de bedoeling om als individu te functioneren. Je bent verbonden met elkaar. We zijn verbonden met onze voorouders. Ik denk ook aan al onze landgenoten die decennialang in Federal Prison gevangen zitten en zaten voor de vrijheid van ons land. Ik voel hun aanwezigheid. Ik denk aan Oscar Lopes Rivera, een autodidactische schilder, die dertig jaar gevangen zat. Onthoud die naam. Avelino Gonzales Claudio hier uit Vega Baja. Allemaal mensen met wie ik een bond voel. Ik denk aan het probleem van het racisme in Puerto Rico.’

Het is waar. Iedereen ontkent het, maar het is er wel degelijk. Op tv, in de regering, je ziet nauwelijks ‘zwarte’ Puertoricanen. Het is me nooit zo opgevallen, omdat musici nooit in huidskleuren kijken. ‘En ik wil jullie nu uitnodigen voor wat ‘bomba’.’ Drie burleadores nemen plaats, de grote trommel die gebruikt wordt in de bomba, de nationale dans van Puerto Rico, waar er ook weer honderd verschillende variaties van bestaan.
‘Je weet dat er een holandés bestaat?’ zegt iemand tegen me bij bar. ‘Ja, dat is die snelle.’ Uiteraard. ‘Ik heb zin om te dansen,’ zegt mijn gezelschap. ‘Ga je gang! Doe!’ Ze passen perfect tussen het gezelschap. Dan neemt de babalau Profesor Pascual Flores het woord. Een bescheiden man, in spijkerbroek en met witte gymschoenen aan. Hij begint een gepassioneerd verhaal over de levensloop van onze jarige job.
‘In de Santería bestaan verschillende goden. Degenen die gewone mensen waren en toen ten hemel zijn opgestegen. En die vanuit de hemel op aarde kwamen. De Goden manifesteren zich in goede en slechte energieën. In Mantanza-Cuba wonen de enige twee priesters die de macht van Lázrro kunnen overgeven. Bij hen heb ik gestudeerd. Lázarro is de God van de ziekte, speciaal je huid. De plant die bij hem hoort is:’
‘De zapatito’ roept iemand uit het publiek.
‘Bomen die bij hem horen zijn de Ceiba, waar we nu onder zitten. De rode Flamboyant, de tamarinde, de avocado en de mango. Dus als je last van psoriasis hebt, dan maak je van de bladeren een pulpje dat je verwarmt op een stoof. En dat smeer je op je huid.’ Ik heb zulke homeopathische praktijken vaker gezien. Mijn roommate Katia bijvoorbeeld ging onlangs onderuit en had een been vol blauwe plekken. Haar vriendje, een zoon van Tarzan, ging meteen in de weer met allerlei bladeren.
En ik zweer het je, binnen drie dagen waren de blauwe plekken veel minder. ‘De muziek is in het Arará, niet het Yorubá. En de campana van hout is het instrument.’ Meteen klapt Flores de clave, de ritmische basis die daar bij hoort en de vrouwen doen vanzelf mee. ‘Het belangrijkste van Lazarro is de band met de voorouders. Als u vragen hebt, stel ze gerust?’
‘Ja, waar bestaat die vergelijking met het Katholieke geloof uit?’ vraagt een man. ‘Zoals we weten is de katholieke Lazarus door Jesus tot leven gewekt, drie dagen nadat hij was overleden. Omdat Hij zoveel van hem hield. Niet waar. Lazarus is een machtige dode.’ altaar_klein.jpg

En pats, daar springt het glas rond een van de kaarsen op het altaar… Iedereen schrikt. ‘Die dingen gebeuren,’ vervolgt de babalao rustig: ‘We weten dat hij hier aanwezig is.’ Ik voel de knoop links voor op mijn kop. ‘In Cuba is het zo dat mensen vaak grote geiten moeten berijden. Je moet dan vijf rondjes maken. Dit symboliseert de tocht van Lazarro destijds in de woestijn. Het voedsel wat hij lekker vindt is kokos, tamarinde, minestra. Dat is een mengsel van allerlei peulvruchten; linzen en bonen. Daarmee kan je je reinigen. Dat kan ook met banaan en gedroogde kokosnoot.’ Baby had me dat ooit uitgelegd.
In mijn hoofd was ik al bezig een vruchtenmoes te maken. Ben je gek! Je pakt een gedroogde kokosnoot en daarmee wrijf je langs je lichaam. De vrucht neemt dan de kwade energieën op. Vervolgens gooi je de vrucht op een kruising voor je huis weg. Daar zijn ze niet misselijk in, op welke plek dat weggooien van die vrucht moet gebeuren. ‘Het Santería-geloof zoekt de antwoorden binnen jezelf, binnen je eigen handelen. Deze religie vergt studie. Je vraagt je allemaal af wat je doel is op aarde.
Het Santería-geloof geeft je die houvast. Wat je kunt doen hier. Je naaste helpen in vertrouwen. We hebben het verbond met het verleden, met onze voorouders.’ Na deze wijze woorden stelt Dominga voor te gaan eten. Ik haal eerst vier glaasjes pitorro. Bij de bar staat een vrouw die hetzelfde wil als ik. ‘Hij wist niet eens wat het was! Nou, dan ben ik Jennifer Lópes! Tranen uit de bergen!’ ‘Iets dat Puertoricaanser is ken ik niet: krijg je dat nu ook door het jaar?’ wil ik weten.
‘Oh, ja. Het is dat het bewerken altijd tijd kost, maar stoken doen ze het hele jaar door. Vorige week kwam de Federale politie bij mijn buren. Ik woon op het land. Koe dood. Maar mijn buurman was bang dat ze zijn destilleerderij zouden ontdekken, want die was ook daar in de stal. Én weet je wat, de politie had gezegd: maak je geen zorgen. We komen alleen voor die koe. Mooi dat ze alle vier met een gallon rum vertrokken!’

Ik schiet in de lach. Natuurlijk. Drank verbindt. Het eten is goddelijk. ‘Hoe heet die aardappel?’ vraag ik aan de kokkin. ‘Zoete aardappel. Het is de Puertoricaanse witte aardappel, die is lekkerder dan die Amerikaanse rode.’ Daar moet ik volgende keer meteen naar op zoek in de supermarkt.
Rond middernacht nemen de drie batádrummers voor het altaar plaats en gaan spelen. Deze poliritmiek in 6/8 maat duurt een half uur! Een van de drummers ken ik. Een donkere klerenkast van twee meter lang en idem in omvang. Hij gaat de gebeden voorzingen.
Ik ben vooral onder de indruk van zijn stemgebruik, op het metalige af. Ortensia, die mijn doek omknoopte, danst en zingt mee. Het hele ritueel duurt minstens een uur. De kwade geesten blijven gelukkig weg. Wie die wel in het struikgewas verschijnt is Daphne. ‘Zullen we gaan? Ik ben half bevroren!’ ‘Ja, is goed. We gaan. Pak effe een pitorro. Krijg je het lekker warm van.’

En precies op dat moment verschijnt onze bandleidster. Ze glimlacht. Keurige paarse doek om d’r hoofd. ‘He? Nou, dit is Myra, die ik vandaag tien e-mails gestuurd heb. En die mij niet beantwoord,’ vertel ik Daphne. ‘Maar we zijn wel verbonden, want hier ben ik! Kind, ik heb een uur rond gereden om het te vinden!’ zegt ze: ‘Op die zandweg hier heb ik me een uur geleden omgedraaid!’ ‘Myra, je moet meer naar je innerlijke stem luisteren. Je weet toch, ik ben bruja.’ ‘Ja,dat weet ik! Lina zei al, May die gaat niet, want dit is helemaal in the middle of nowhere. Maar ik zei direct tegen haar: May gaat wel. Die komt toch van het platteland!’
‘Ja, ik ben al verbonden met het universum vanaf mijn geboorte. Nog een pitorro dan?’
‘Sí.’  

Meer foto's op May Peters' Facebook pagina

 
< Vorige   Volgende >