Nieuwsbrief

Schrijf u in voor de nieuwsbrief.







colofoncontactadverteerdersabonnement

Eco-toerisme in Suriname PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door Raoul de Zwart   
woensdag 11 juli 2007

suriname2.jpgVoor nieuwsgierige reizigers biedt Suriname een interessante mix van natuur en cultuur: je kunt er fietsen naar plaatsjes met namen als Alkmaar en Groningen en oog in oog komen te staan met exotische dieren. Een verrassende bestemming die vanwege de gedeelde geschiedenis en overweldigende natuur zowel dichtbij als ver is.

Tekst: © Caribe Magazine

Onze chauffeur trapt ineens op de rem; midden op de weg door het Surinaamse regenwoud ligt een luiaard, die bezig is met een uiterst langzame oversteek. Gids Wyboo, tevens enthousiast amateur-fotograaf, rent als eerste het busje uit. ‘Zoiets heb ik nog nooit gezien', roept hij uit.
De luiaard reageert al even verrast als de toeristen die hem omringen. Nieuwsgierig kijkt hij van de één na de ander. Door de vorm van zijn snuit is het net alsof hij minzaam glimlacht. We mogen hem zelfs aaien, zijn vacht is zo zacht als die van een poes. Nadat de chauffeur hem naar de overkant heeft geloodst kruipt het beest langzaam verder door de struiken. Het is onze derde ontmoeting met een junglebewoner vandaag; eerder kruisten een bushmonster (slang) en een vogelspin onze weg.


Onverwachte ontmoetingen die typerend zijn voor een reis door Suriname, waar toerisme nog in de kinderschoenen staat en het grootste deel van het land bestaat uit ongerept, tropisch regenwoud. De weinige reizigers die je er tegenkomt zijn vooral (Surinaamse) Nederlanders die nieuwsgierig zijn naar ‘dit stukje tropisch Nederland'.

De laatste jaren profileert Suriname zich als eco-toeristische bestemming, dat het vooral moet hebben van natuurlijke attracties. Zoals Natuurpark Brownsberg, waar je brulapen tekeer hoort gaan en grote felgekleurde morphovlinders als blauwe neonlichtjes tussen de bomen dansen. Het plateau op de berg biedt een indrukwekkend uitzicht over het Brokopondo-stuwmeer, dat zo groot is als de provincie Utrecht. Tijdens de aanleg ervan in de jaren zestig werd een flink stuk regenwoud onder water gezet en moesten zesduizend bewoners gedwongen verhuizen. De dode boomstammen steken er nog altijd spookachtig boven het water uit, als een stil protest.

We hebben op de berg een wandeling gemaakt naar één van de vele watervallen en zijn nu op weg naar ‘vakantie-oord' Isaduo, waar we zullen overnachten.
 
In het kader van het eco-toerisme zijn in of bij inheemse dorpjes steeds meer ‘vakantie-oorden' opgericht, waar je slaapt in eenvoudige hutten of hangmatten. Isaduo ligt op een eilandje in de Surinamerivier; de laatste etappe leggen we per korjaal (gemotoriseerde boomstamkano) af. Je hoort er alleen het geraas van de stroomversnellingen en de siebieboessies (tropische stortbuien). Na het invallen van de duisternis komt daar nog wel even het gebrom van de generator bij want ook de Boslandbewoners in deze uitlopers van het Amazonewoud kijken graag een dvd'tje.


Na een zwempartijtje in de rivier (volgens de immer optimistische Wyboo vallen piranha's ‘niet zo vaak' mensen aan) genieten we van de rust. Af en toe passeert een korjaal, waarvan de inzittenden ons met een handopsteken begroeten. Langs de oevers strekt het immense regenwoud zich uit. De rest van de wereld is ineens aangenaam ver weg. 

De volgende dag worden we vergast op een ochtendconcert door een plaatselijke band. Een groep jongelui, gestoken in vrijetijdsbroeken en t-shirts met de namen van Europese voetbalclubs en Engelse teksten, meert aan. Eigenlijk hadden ze gisteravond zullen spelen maar omdat de grootmoeder van één van hen is overleden, zijn ze uit medeleven bij hem gebleven. Wyboo is een beetje ontstemd want dit was niet de afspraak. Maar al gauw blijkt weer dat je je in Suriname niet al te druk moet maken: ‘No spang', zoals ze hier zeggen. Het is trouwens een raadsel hoe de mensen hier in het pikkedonker hun weg langs de stroomversnellingen vinden.


De instrumenten, waaronder een fascinerend-simpel keukenkastje met metalen plaatje erop, worden gestemd en de jongens barsten los in een Afrikaans klinkend ritme. Hun liedjes vertellen dat je zuinig moet zijn met de natuur, vertaalt Wyboo voor ons uit het Saramaccaans, de streektaal. Een soort eco-pop dus. Langzaam begint het vrouwelijk personeel op Isaduo met soepele heupbewegingen te dansen; al snel blijkt dat muurbloempjes niet worden getolereerd. En zo staan we op deze maandagmorgen wat stijfjes te wiebelen, gadegeslagen door de onverstoorbaar kijkende musici. Gaandeweg worden ze steeds vrolijker. De rollen zijn omgedraaid: niet zij zijn de bezienswaardigheid, maar wij.

Na de ochtenddisco varen de muzikanten met ons mee, richting Paramaribo. Hun gezichten vertonen nu weer die wat melancholieke uitdrukking die karakteristiek lijkt te zijn voor de Boslandcreolen. Deze bevolkingsgroep stamt af van de marrons, weggelopen plantageslaven die in de achttiende eeuw een guerilla-oorlog voerden tegen de expeditielegers van het Nederlandse bestuur. Samen met de stadscreolen (afstammelingen van vrijgemaakte slaven) vormen ze de grootste bevolkingsgroep, gevolgd door de Hindoestanen, die oorspronkelijk als contractarbeiders hun weg naar de ‘Wilde Kust' vonden. Daarnaast beproefden Javaanse contractarbeiders, Chinezen, Portugese en Duitse joden, Hollandse boeren, Frans-Guyanezen en Braziliaanse goudzoekers nog hun geluk in Suriname. Er is misschien wel geen land ter wereld waar je de geschiedenis zo duidelijk aan de gezichten van de bevolkingsgroepen kunt aflezen. Dat ‘kaartlezen' wordt nog interessanter bij de vele ‘mix-maksen' en is vast onderdeel van het kennismakingsritueel.


De Indianen, de oorspronkelijke bewoners, vormen een groot contrast met de Boslandcreolen. Waar de laatsten vaak bijna op schreeuwtoon praten om boven het lawaai van de stroomversnellingen uit te komen, zijn de Indianen soft-spoken. De Creolen bouwen hun hutjes graag dicht bij elkaar, de Indianen prefereren privacy en zetten hun dorpen ruim op. Zoals het dorpje van de Karaib-Indianen in het natuurreservaat Galibi, waar we ook een ecotoeristisch uitstapje naartoe maken. Het ligt aan de Marowijnerivier, de natuurlijke grens met Frans-Guyana.

Een veelgehoord bezwaar tegen reizen naar Suriname is dat het land stranden ontbeert. Onzin, blijkt in Galibi. Een hangmat, mango's die uit de bomen vallen, kabbelende golven, wat wil je nog meer? Nou ja, minder afval misschien.
Bij gebrek aan stortplaatsen en - vanwege slechte wegen - goed functionerende vuilnisophaaldiensten dumpen de Surinamers hun rotzooi werkelijk overal. Sommige wegen in het binnenland zijn letterlijk omzoomd door plastic flesjes en ander spul. Hier aan het strand is het niet veel beter, al spoelt ook troep uit Frans-Guyana aan. Tussen de wuivende palmen staan oude koelkasten, waar de vissers hun vangst laten drogen en zouten.

Eco-bewuster gaan de bewoners om met de legstranden van zeeschildpadden, dé toeristische trekpleister hier. Vroeger stroopten ze die af naar schildpadeieren, tegenwoordig werken ze met het natuurreservaat samen voor de bescherming van de dieren. De inkomstenderving (de eieren werden als potentieverhogende delicatesse verkocht) wordt gecompenseerd door inkomsten uit het toerisme.

's Avonds brengen we een bezoek aan zo'n strand, waar een viertal aitkanti's (leatherbacks) bezig zijn met een ‘bevalling'; reusachtige beesten die enkele honderden kilo's wegen en schilden van ongeveer anderhalve meter lang meetorsen. Eén van hen is nog druk bezig met het graven van een kuil voor haar eieren. Met haar achterpoten schept ze geduldig zand weg, waarna ze enkele tientallen eieren naar buiten laat ploppen. Vervolgens wordt het zand flink aangestampt. Om aasgieren te misleiden worden daarna rond het nest diverse ‘valse kuilen' aangelegd. Het
zand vliegt ons om de oren als de schildpad ijverig begint te scheppen. Soms vliegen daarbij eieren uit andere nesten mee. Het is een wreed-ironische speling van de natuur dat de schildpad zo de noeste arbeid van een soortgenoot of misschien van haarzelf (per seizoen leggen ze drie tot acht nesten) verwoest.

De hele procedure duurt ongeveer twee uur en betekent een ongelooflijke inspanning voor de schildpad. Ze zucht en steunt, tranen stromen uit haar ogen. Niet van uitputting maar om uitdroging van de ogen te voorkomen. Af en toe laat ze de kop in het zand vallen en rust ze, zwaar hijgend, uit. Als ze eindelijk klaar is, sleept ze zich met haar laatste krachten naar de waterlijn om in de golven te verdwijnen.


En dan gebeurt bij een andere schildpad waar we een kijkje nemen het ongelooflijke. Uit het zand piepen ineens kopjes en pootjes: een nest komt uit! Zo'n vijftien jonkies werken zich razendsnel uit het zand (een prestatie op zich als je bedenkt hoe stevig moe alles heeft aangestampt). Afgeleid door onze zaklampen rennen ze alle kanten op. Op advies van een gids formeren we met de lichten een soort startbaan over het strand naar het water. Sommige beestjes lijken er een wedstrijdje van te maken, anderen struikelen op het ongelijkmatige parcours. Eenmaal bij het water worden ze door de eerste golf meegesleurd en beginnen ze aan hun eenzame reis door de gigantische oceaan. Hoe ver ze ook zwemmen (schildpadden uit dit gebied zijn zelfs bij West-Afrika en Argentinië gesignaleerd), steeds zullen ze terugkomen naar hun geboortestrand, om te paren en nesten te leggen.

Je zou bijna religieus worden van zoveel natuurgeweld vlak onder je neus. Een prachtige sterrenhemel completeert de bijzondere sfeer. We zijn een beetje ontroerd en troosten ons met de gedachte dat het troepje, peanuts op de circa drie miljoen die per seizoen hun nest verlaten, dankzij onze hulp de eerste etappe van zijn levensreis heeft overleefd. In stilte hoop ik - om andere redenen uiteraard - hetzelfde te doen als de schildpadjes: ooit nog eens terugkomen naar dit verrassende land.


Spannend verhaal uit Paramaribo

In het centrum van hoofdstad Paramaribo vind je de woningen van twee markante, maar in Nederland vrijwel onbekende dames uit de Surinaamse geschiedenis: de beruchte plantage-eigenaresse Susanna du Plessis (1739-1795) en haar tegenhangster Elisabeth Samson (1715-1770), dochter van een vrijgemaakte slavin die zich ontwikkelde tot een gefortuneerde zakenvrouw en die later als eerste zwarte vrouw trouwde met een blanke man. Pikant detail: de bruid was 52 en de bruidegom 30.

Samson, die bezittingen had geërfd van een plantagehouder met wie zij eerder twintig jaar officieel samenleefde maar met wie zij van het Hollandse bestuur niet mocht trouwen, liet haar man na haar dood een vermogen van meer dan een miljoen Nederlandse guldens na, een enorm bedrag voor die tijd. Haar slaven behandelde zij waarschijnlijk beter dan de wrede Du Plessis. Het gerucht ging dat zich onder Du Plessis' huis een tunnelcomplex bevond, waardoor mishandelde en gedode slaven naar de rivier werden afgevoerd. Ook zou zij haar man ooit bij wijze van dessert de afgesneden borst hebben voorgezet van een slavin op wie hij volgens haar een oogje had. Hoewel in archieven nooit bewijzen zijn gevonden voor haar gruweldaden blijft de mythe rond Du Plessis bestaan. ‘Eindelijk ben ik tot rust gekomen', staat er op de grafsteen van deze ‘helsche mevrouw', die het in haar huwelijksleven minder trof dan de vrijgevochten Samson. Du Plessis werd eerst weduwe en scheidde van haar tweede man.

 
< Vorige   Volgende >