| Een donderdagavond in Viejo San Juan |
|
|
| Geschreven door May Peters | |
| Saturday 04 June 2011 | |
May Peters kreeg een
uitnodiging van professor doctor Quintero Rivera, socioloog aan de Universiteit
van Puerto Rico, om afgelopen donderdag naar een conferentie te gaan van dr. Alfonso
Múnera in het Centro de Estudios Avanzados de Puerto Rico y el Caribe in Oud San
Juan. Professor Múnera,een Colombiaanse collega van hem, zou het hebben over de mensen van Afrikaanse herkomst in Cartagena , Colombia en de conflicten en de zoektocht naar het
burgerschap aan het begin van de staat Colombia. ‘Waarom hadden de kustbewoners
geen identiteit?’ heeft hij zich altijd af gevraagd.
Múnera is oprichter van het College van Sociale Wetenschappen, Directeur van
het Internationaal Instituut over Caribische
Studies, Associate Provost for Research at the Universidad de Cartagena.Hij heeft boeken geschreven, zoals El fracaso de la nación: región, clase y raza en el Caribe Colombiano 1717 -1810(1998) en Fronteras imaginadas: La construcción de las razas y de la geografía en el siglo XIX colombiano (2005). Zijn werk houdt dus het Caribische gedeelte in van Colombia: dat hele stuk aan de Atlantische Oceaan, waar het merendeel van Afrikaanse afstammelingen zijn blijven wonen. Welk een overeenkomst met Puerto Rico. In het kader van de inspiratie en een ontmoeting met Caribische wetenschappers had ik mijn Nederlandse studiegenoot aan de Universiteit in Leiden: Julia Brinkman voorgesteld om naar Oud San Juan te gaan. Zij verblijft bijna drie maanden hier om het fenomeen ´regguetón´ te onderzoeken. En professor Quintero is een enthousiaste socioloog die natuurlijk van mensen houdt en van muziek. En dat is mijn raakvlak met hem. Hij is een gepassioneerde verteller, dus een goede gelegenheid om hem nu persoonlijk te ontmoeten in het Centro de Estudios Avanzados de Puerto Rico y el Caribe in de Calle Cristo. Zoals Múnera vertelt, blijkt dat de vorming van de Colombiaan aan het begin van de 19e eeuw op de zwaar religieuze elitaire ideeën van de Franse wetenschapper Bufon is gebaseerd. Die simpel stelde dat ‘de Afrikanen het product was van de neergang van de mensheid.’ Met als gevolg dat de Afrikaan en de Indiaan totaal genegeerd werden. ´Zij bestaan niet voor de Colombiaanse gemeenschap.´ En dat daarom juist al die burgeroorlogen, de FARC etc. steun krijgen van deze bevolkingsgroep, werkeloos en kansloos. ‘Een kind moet zijn trauma overwinnen om zich gelijk te voelen in een maatschappij waar het alleen maar gaat om ongelijkheid.’ Ik was altijd zo trots op Puerto Rico, dat de rassenmengeling reeds eeuwen van te voren heeft plaatsgevonden, in tegenstelling tot ‘de eilanden’ nos dushi Korsou, Jamaica etc. Kom er nu achter dat dat een bewuste zet was van de regeringen: ‘zuivering van het ras’. Mijn haren gaan rechtop staan bij zo’n uitspraak! Blancamiento , mestizaje. Al mijn collega’s hier zeggen dat er wel degelijk racisme is in Puerto Rico. ‘Je ziet geen donkere mensen in tv- ploegen, niet in de politiek, niet in de pers.’ En dat terwijl mijn goede vriendin, dr Ileana Latorre steeds haar studenten aan de Universiteit voorhoudt: ‘Wij Puerto Ricanen zijn mulato. We hebben gemengd bloed. Als wij in Europa rondlopen, met dat haar van ons, onze gelaatstrekken, dan zijn we gewoon niet blank.’ ‘Por favorrrrr, de Puerto Ricanen zijn de mooiste mensen op aarde!´roep ik uit: ‘Die veronderstelde superieurheid van het blanke ras stamt uit de 18e eeuw! Van een stelletje katholieke kolonialen die de nieuwe wereld bruut veroverden. Waarom duurt dat zo lang voordat deze ideeën uitgeroeid zijn?’ vraag ik haar: ‘Kapitalisme?’ Ik, die op het strand ga mediteren, en zo dezelfde huidskleur krijg als mijn vrienden. Nu ben ik weliswaar donkerder waar de zon mijn huid raakt, maar ik kan niet op hakken lopen, ik heb geen poeder op mijn gezicht, niet van dat prachtige lange krullende haar (God, hoe houden ze het vol in deze klamme hitte!) én ik heb geen lange nagels (waar je dus absoluut geen verhalen mee zou kunnen schrijven voor caribemagazine’. Het moge duidelijk zijn: uw correspondent is geen Latina. Puerto Rico is erg gefocust op de Verenigde Staten en heeft een veel mindere band met de andere Caribische eilanden. Dat maakt dit eiland zo anders. Gelukkig geldt dat niet voor mijn vakgebied : de muziek, waarin de Afrikaanse poliritmiek een hoofdrol speelt, naast mijn ander passie koken. De Caribische keuken en de muziek verbindt! Viva Africa. Na afloop stel ik Julia aan professor Quintero voor. Ze hebben een heel gesprek over regguetón, de electronische muziekstijl die hier de live salsa om zeep heeft geholpen, aldus mijn collega’s. En ze kan meteen volgende week bij hem langs gaan op de Universiteit. ‘Kom nog even naar los Hermanos de Rivera’, zegt hij tegen mij: ‘Daar gaan we nog wat drinken. Dat is hier op de Calle San Sebastián.’ ‘Ja, ik heb de wijn al gemist!’ Bij de vorige conferentie had hij wijn en kazen klaar staan. Niet te geloven ook weer hier in de tropen! ‘Het is hier bovenaan rechts. Daar komen altijd veel artiesten en intellectuelen,’ zegt hij verrukt. ‘Ja, daar moeten wij dus meteen naartoe,’ bij welke groep ze mij dan ook moge indelen. We stappen van de airconditioned ruimte zo de klamme tropennacht in. Met al die meiregen word je al de hele maand ondergedompeld in een stoombad (met talloze verrekte kleine rotmuggen, die mij hier op de patio voortdurend belagen!) Heb jij al gegeten?’, vraagt Julia. ‘ Ja, ik wel. Ik had arroz con habichuelas (rijst met bonen) thuis gemaakt. Maar dorst heb ik altijd.’ Overweeg nog even om naar el Jibarito te gaan, het restaurant met de lekkerste mofongo van yuca die ik hier gegeten heb. Ook in het kader van mijn culinaire opvoeding aan Nederlandse studenten die genoegen nemen met ‘ambuerger’. Gedverrr. Maar we komen meteen uit bij een pizzeria annex bakkerij. Ondertussen dat Julia het menu bestudeert en uitkomt op een lasagne, hebben wij het over mijn zoektocht naar spirituele vrijheid. Die connectie met het universum en dat dat vooral hier in de Cariben, juist door die Afrikanen zo duidelijk voelbaar is. De andere bevolkingsgroep die zo in contact staat met de natuur, de Taíno indianen zijn nagenoeg uitgestorven. Hoewel ik altijd een grotere trots voel bij elke Puerto Ricaan die Indiaanse trekken heeft. En dan heb je natuurlijk een hele grote groep die het altijd over God heeft. Hoeveel artiesten ik niet ken die God als eerste danken. Ja, vind je het gek als je je ook voortdurend in een paradijs waant met een Atlantische Oceaan voor de deur? Nadat we hebben afgerekend, veel te dure Medallas hebben gedronken a $ 4,- gaan we opzoek naar het etablissement van dr Quintero. ‘Deze straat heb ik tussen een paar duizend man met mijn trombone in januari doorkruist´, zeg ik tegen Julia: ‘de Fiestas de San Sebastián!’ Voor mijn netvlies passeren ook de17 jaar Puerto Rico.’Dios mío, hier heb ik ooit nog gespeeld. Dat is nu weg.’ Cafés die nu niet meer bestaan, of gewoon geen live muziek meer betalen. Voordat ik er erg in heb staan we op een fel verlichte stoep. De tl- buizen schijnen dwars door de open ramen. ‘Dus hier is het te doen,’ zeg ik tegen een mooie latina op de stoep. Met van dat haar ook. Julia is al in de veronderstelling dat ik haar al jaren ken. Ik moet er zelf ook omlachen, want dat gebeurt me vaak in Puerto Rico. De mensen zijn heel open. ´Ja, ze hebben hier live muziek elke donderdag en vrijdag, met allemaal música típica.´ ´ Música típica? Je bedoelt muziek van het eiland, niet música jíbara.. Pas d’r op: Ik ben musicus! En mijn trombone ligt thuis,´ wend ik me tot Julia. ‘Ja, mensen spelen zelf mee of congas en zo. ´Dus dit de plek van de artiesten en de intellectuelen,´ zeg ik. Het is afgeladen vol. Het lijkt wel een grote garage weliswaar met een hoog plafond, een trap naar boven en een klein podium rechts. Dit is absoluut de plek waar Quintero het over had! Hoewel ik hem niet meer zie, herken ik wel nog enkele oudere dames die ook op de conferentie waren. Julia weet niet waar ze beland is. Ik trouwens ook niet, maar dat is zo grappig bij een extravert en een introvert type mens. De eerste beweegt zich tussen de menigte alsof ze er elke week komt. ‘Dat komt door deze mensen, hoor, Julia! Ik heb het gevoel alsof we op een familiefeest zijn beland, waar wij ook al jaren deel van uitmaken! Het podium is leeg. ‘Nancy heeft even pauze,´ hoor ik. Lange tafels functioneren als bar. Ontwaar ik daar tussen de flessen wijn, rum en glazen warempel schaaltjes met tortilla, toastjes met een leverpastei en crackertjes? Ja, zo’n soort feest dus. Ik steek twee vingers op naar de vrouw achter bar. ‘ Dos Medallas.’ $3,-‘ ‘Heeft ze zich nou vergist? Dat bedoel ik nou, een feestprijs. ‘Waar is Nancy? ‘ vraag ik haar. Geen idee wie de musicus van vanavond is, maar wellicht dat ik haar ken. Ze kijkt even in de menigte. Oh, ze zal even naar het toilet zijn.’ Twee congas en bongos staan klaar op het podium. Natuurlijk, dit zijn de plekken waar Quintero me naar toe wilt nemen, social blending met de Puerto Ricans. Ik zie veel grote bellen wijn. Denk meteen aan het intellectuele... Nu heb ik ongelofelijk zin in een glas, maar ik heb natuurlijk allang die etiketten gezien. En ik pas voor een Gato Negro. Er zit hier een klein hagedisje van hooguit zes centimeter. Die zich net vergiste en spontaan tegen mijn been opsprong, altijd raak. Vangt hij nu die muggen die zich niks van die citronella kaars aantrekken naast me? En die trouwens nog lekker schijnt te zijn voor de mieren. De Puerto Ricaanse mieren gaan er met mijn citronella kaars vandoor! Nou, daar zal je d’r hebben, Nancy, de gitariste met weer zo’n bos haar, cowboy laarzen en spijkerbroek. ‘Aha, en zo belanden we spontaan in de potten en pannen-scene’, zeg ik tegen Julia. ‘Waar zie je dat nou aan?’, vraag de jonge studente timide. ‘Nou, omdat de doorsnee Puerto Ricaanse zich normaliter voortbeweegt in een knakworstjesjurk en hoge hakken.’ En wat zich het volgende half uur afspeelt is absoluut uniek, ook in mijn zeventien jaar Puerto Rico. Zo beginnen zij met het ‘Kyrie’. Ik kom niet meer bij als ik al die mensen luidkeels deze teksten uit de kerk hoor meezingen. De buurvrouw bestelt nog een Medalla, ‘want dat is het goedkoopste’, vertrouwt ze me toe. Zo mag ik toch graag mijn katholieke achtergrond delen, met het lichaam en bloed van Christus op tafel. Vrouwen met waaiers en de barvrouw met de claves. Ehm-pam-pam, pam-pam-pam. Binnen de kortste keren is het hier net zo warm als buiten. Een man komt me vertellen wat dit voor een feest is. Hij begint meteen in het Engels. ‘En dat praat ook zomaar Engels tegen mij. Ik ben geen gringa,’ Dat is natuurlijk wat ze altijd meteen denken. ‘Ay, perdón. We vieren in de maand mei las Fiestas de la Cruz. We komen dan allemaal bij elkaar en zingen dan de rozenkrans ‘el rosario cantao.’ Nu was ik toevallig een paar maanden geleden getuige van een gezongen rozenkrans in Corozal op een noveen van een gestorvene. Dat heeft mij toen erg ontroerd. De buren en vrienden in het huis van de overledene, die in een 7/8 maat de hele rozenkrans zongen. Dit hier heeft eerder weg van een jubelzang, en van een onregelmatige maatsoort is al helemaal geen sprake. Wel van onregelmatige claves of bongos... Julia en ik zijn zonder dat we het weten, getuige van congregatiemuziek met een vast patroon van coupletten, waarbij het publiek als koor antwoordt. Iedereen ook, en keihard. Ik hoor nu zelfs een patriottisch lied voorbij komen. ‘Oye boricua, yo te canto esta canción. Viva la patria, viva la revolución.’ ‘Luister Boricua, ik zing dit lied voor je. Leve het vaderland. Leve de revolutie.’ Mijn oog valt op de loco del barrio,de gek van de buurt. Met een grote cowboyhoed op en een spijkerbroek aan danst hij in zijn eentje. Zijn rechterhand voor zijn buik en zijn linkerarm gebogen in de lucht. Je hoeft niet persee een vrouw te hebben om mee te dansen. Dat kan goed in je eentje, of met de hond? Een zwarte bastaard kijkt hem verwonderd aan. Maar hier in de garage kan alles.
Ik stel een kennis van me voor aan Julia. ‘Toen ik Antonio leerde kennen tijdens een Drie Koningen feest in de bergen in Ai Bonito was het een keurige vijftiger, netjes in het pak, kortgeknipt haar. En nu ie gepensioneerd is loopt hij erbij als een Hells Angel.’ Antonio lacht luidkeels. 120 kilo, een muziekliefhebber met een voorkeur voor Jazz, een spijkerbroek en een paardenstaart op een volgezopen kop. Maar we moeten een keer langs komen in zijn pie a terre in Río Piedras. ‘Dat gaan we doen, Antonio!’ Ik hoor verschil in de percussie, als een congero een nummer meespeelt. Een andere man heeft de bongos maar op zijn knieen gelegd, in plaats van ze tussen zijn benen te klemmen. ‘Dat doet trouwens hartstikke zeer’,zeg ik tegen Julia: ‘Dat herinner ik me nog van mijn percussielessen van mijn collega op het conservatorium hier. En nou heb ik er toch de knieën voor, zou je zeggen...’ Julia kijkt me niets begrijpend aan. Maar de man verontschuldigt zich al als ik glimlachend naar hem gebaar. "Zijn jullie een parasol kwijt?," vraagt een oudere dame en houdt ons een roze paraplu voor.’ ‘ Nee, ik heb de mijne steeds in mijn tas.’ Leuk, ook die bezorgdheid. ‘Ik ben trouwens Zuki.’ Zuki gaat gewoon iedereen langs. ‘Nog een Medalla, Julia?’ ‘ Nee, doe mij maar een Presidente’. Het Dominicaanse bier! Dat is volgens mij meer uit heimwee naar haar Dominicaanse vriendje: ‘Ik drink normaal geen bier.’ ‘Nee, dat zie ik,’ lach ik. Julia is het voorbeeld van een Hollandse meisje. Lang, slank en blond. Ik ben het voorbeeld van een Limburgse, 1.68m, stevig en donker. Ze vindt dat ik toch even moet proeven of dit inderdaad lekkerder is dan de Medalla! Oké, het heeft ietsjes meer bite, maar geef mij maar gewoon Medalla, of twee? ‘Vamonos , vamonos , vamonos que la fiesta se acabó,’ zing Nancy. En het publiek ook. ‘Dit liedje zong ik altijd met de kinderen van het zomerkamp in de Botanische Tuin,’zeg ik tegen Julia: ‘ Aan het eind van mijn muzieklessen.’ De Puerto Ricaanse variant van ‘We gaan nog niet naar huis.’ Het is ook meteen duidelijk waarom ze dat zo leuk vonden. ‘ Que no, que no, que no. Que no me da la gana. No vamos de aquí, hasta la madrugada… We gaan, we gaan, want het feest is afgelopen! Nietes, nietes, nietes, ik heb totaal geen zin. We gaan hier niet weg tot aan het ochtendgloren.’ ‘Morgen is er weer een dag,’ besluit Nancy echter verstandig. Een oudere vrouw komt voorbij met grote vragende ogen:‘Hebben jullie mijn paraplu gezien?’ Nondedjuu, ja. Een roze.’ ‘ Ja’, roept ze verwachtingsvol uit. ‘ Waar is die andere vrouw nou?’ zeg ik tegen Julia. ‘Zuki?’ Julia ook alsof ze hier al maanden komt. ‘Zuki had die paraplu.’ Aaaah, Zuki’, zegt ze, terwijl ze al om zich heen kijkt. … ‘ Niet gek dat ze zo in paniek is’, zegt Julia: ‘ Moet je dat daar buiten zien.’ De regen valt weer met bakken uit de lucht. Dan maar even wachten? Ik spreek Nancy aan. ‘ En jouw trombone?’ ‘ Ja, die neem ik altijd mee, behalve vandaag.’ ‘ Ga nog even mee naar een ander café, want ik kan nu niet direct gaan slapen.’ Ikzelf denk toch ook even aan mijn gezelschap. ‘Dat doen we de volgende week, oke?’ Bien. ‘ Ik dacht er nog aan om een paraplu mee te nemen’, zegt Julia: ‘Jij hebt die natuurlijk wel bij je.’ ‘Ja, ervaring na 17 jaar, he… Kom maar.’ Julia bukt zich en met van dat de paden- op- de-lanen- in- werk benen we door een tropische regenbui over de Middeleeuwse keien, de hele Calle San Sebastián door, naar mijn auto, onder moeder’s paraplu. |
| < Vorige | Volgende > |
|---|