| Het oogstfeest - seu |
|
|
| Geschreven door May Peters | |
| Thursday 27 March 2008 | |
Normaal gesproken mis ik in de Curaçaose ether de typische Caribische muziek: de son uit Cuba, de salsa gorda uit Puerto Rico. Maar nu is het anders. Al weken komt er muziek uit de radio die me nieuwsgierig maakt. Ik hoor die typische syncopische tweekwartsmaat, een tambor en een chap. Muziek met Afrikaanse roots. Het is Seú-muziek, oogstmuziek.
Wat ik vooral op dit eiland mis, is dat geen enkel Radiostation salsa gorda uit Puerto Rico of son uit Cuba draait, behalve een uur in het weekend als ik zelf ga spelen met Cuban Express! Dan blijkt dat Curaçao echt een eiland is, dat bovendien minimaal contact lijkt te hebben met andere niet-Nederlandse Caribische eilanden. Muzikaal in een isolement verkeert. Radio kan dan ontzettend belangrijk zijn voor de muzikale invloeden. Mijn volgende missie, dus. En nu hoor ik al weken muziek uit mijn radio die mijn nieuwsgierigheid wekt. Het is muziek in een tweekwartsmaat, met een solozanger en een koor dat antwoord geeft. Een Afrikaanse erfenis. Het ritmisch patroon is eenvoudig syncopisch (achtste noot, kwartnoot, achtste noot en twee kwartnoten). Ik hoor de tambor, een grote van hout gemaakte trommel. Deze lijkt veel op de tambor die ze in Puerto Rico gebruiken voor de Bomba, die andere dans van de Afrikanen. Verder bas, keyboard, drums. Geen blazers, nee. Hoewel, ik hoor steeds een 'woehh', alsof ze op een koeienhoorn blazen. En het instrument wat boven alles uit klinkt is de chapi, de hak. Wij hadden zo'n soort schoffel thuis op de boerderij. Geen wonder: dit is Seú muziek, oogstmuziek. En waar geoogst wordt is gewerkt en gezaaid op het land. Gezien mijn agrarische genen wil ik daar uiteraard meer van weten. Ik rij op Goede Vrijdag voor het eerst in mijn stoffige metalic Japanner uit 1990. Gehuurd voor een muzikantenprijs bij de garage van mijn Dominicaanse student, die maar drie keer is geweest. Hij had me nog uitgenodigd voor het Paasfeest van de Pinkstergemeente. Trok ik niet, moest nog spelen... Maar de zegen van Boven kan ik erg goed gebruiken. Als ik ooit een rozenkrans en een medalle van de heilige Christoffel nodig heb gehad is het nu. Mijn Lincoln Town Car, ook uit ‘90 in San Juan, is een ware presidentswagen! En dan heb ik het nog niet over de deuken, het kapotte knipperlicht, de Betty Boop sticker in zwarte lingerie op de motorkap en Manneke Pis links naast de tankdop van dit vehikel ...aaaaay. Enfin, ik laat grote stofwolken achter met vijf kilometer per uur door de Antilliaanse prairi: cactussen en donkerrode zandvlakten vol venijnige stenen. Waar wordt hier in godsnaam geoogst? Dit heuvelachtige landschap lijkt nog net niet op de maan, hier kán niks groeien! Zoals mijn vader ooit de historische woorden sprak toen hij me op Kórsou kwam opzoeken in 1995: ‘Goed hooiweer, alleen geen gras.' Na een slingerend grindpad vol kuilen en scherpe stenen wipt mijn auto tot aan Playa Canoa. De Caribische zee! Maar niet zoals ik gedacht had. Hier is het echte maanlandschap van kilometers uitgestrekt zwart vulkaansteen waarachter de hel loos is. Dios mío. De zee is erg kwaad, blauwe golven van vijf, zes meter hoog slaan bruisend wit kapot op de zwarte oppervlakte vol gaatjes. Ik loop langs ineengevallen strandtenten, scheve verrotte houten planken. Unheimmisch. Verderop staat een nieuw verlaten huisje achter een hekwerk met een balkon, twee stoelen...? En er lopen twee magere koeien omheen, een Fries en een MRY koe. Ay,ay. In Puerto Rico heb je dat Afrikaanse ras dat het in de tropen goed doet. Maar deze dieren zagen eruit zoals ik, na twee maanden verblijf op Puerto Rico: met Medalla Light bier en de helft van wat een Curaçaose supermarkt heeft te bieden, plus mijn ge-ren op het Conservatorium. Ik kon de ribben tellen, het dikke haar was dof, en zo ook hun ogen. Waar was de eigenaar? Het was in ieder geval geen boer, want ze hadden niks te vreten. Geen bijvoer, niks. Alleen maar doornige struiken. Geen gras inderdaad. Vesna, een vriendin beantwoordt mijn vraag wat ze hier kunnen verbouwen: ‘Het klimaat is veranderd. Het regende vroeger veel meer. Maar er zijn wat kunukus/boerderijen waar ze melken, scharrelkippen hebben en wat groenten verbouwen voor het eiland zelf.' ‘Ik ken Curaçao inderdaad niet anders dan met cactussen en geiten. Puerto Rico is veel groener. Maar inderdaad, ik kan me ook herinneren dat de boeren vorige jaar problemen hadden in het zuiden door branden. Aan de andere kant van de berg bij Ponce was het dezelfde woestijn.' De aarde warmt op. Enfin, ik loop thuis nog een blokje om in de schemer. Niet gevaarlijk zoals in San Juan. Ik ben altijd op mijn hoede, maar het voelt anders in deze wijk van Willemstad: Rio Canario. Op de hoek hoor ik muziek vanaf de Marnixschool. En ik zie een band plus een hele groep mensen die danspassen oefenen op het schoolplein. Dit is het! Sehú! De leidster van de groep Kosechá Kantando, Naida Felicia, legt me uit wat ze doen. Het is een feest van dankbaarheid wat gevierd op tweede Paasdag met een optocht van drie en tachtig groepen. Esuseeee! ‘Heeft het iets met de Wederopstanding van Christus te maken dan?' vraag ik. ‘Nee. We bedanken de Heer voor de regen, voor de goede oogst.' Ik vang 'trombonist uit Puerto Rico' op. De drummer van de band heeft het tegen een andere muzikant. Ik draai me om lachend: ‘Epa, mulato.' Sinds de tv-opnamen van de beruchte finale van het Tumba-festival word ik zelfs door de verkoopster van de Hollandse Bakkerij herkend. De heupbewegingen en sierlijkheid van de danseres vooraan trekt mijn aandacht. Zij heeft de leiding. ‘Is zij een professional?' vraag ik drummer Egbert. ‘Nee, ze zingt, danst, speelt trompet, maar studeert architectuur aan de UNA (Uinversiteit Nederlandse Antillen), lacht hij. Het verbaast me altijd hier dat er zoveel muzikaal talent is, maar dat men het niet verder ontwikkelt. ‘Je kunt hier niet van de muziek leven,' vervolgt Egbert. Naida brengt me een kopje soep met een stukje brood. ‘Danki, danki. Wat leuk!' Terwijl ik een stukje soepvlees in mijn mond heb, schrik ik. Waah, heb ik toch vlees gegeten! Goede Vrijdag! (heb bij de Zusters op school gezeten, dat mag duidelijk zijn) ‘Kunt u mij iets meer vertellen over die bewegingen?' vraag ik terwijl ik een stukje maïs leegzuig ‘De dans heeft allemaal met het werk op het land te maken. Zie je', terwijl veertig personen in een grote kring over de speelplaats de bewegingen van de choreografe volgen. ‘zaaien. Ze spreiden hun hand uiteen en miemen zaaibewegingen. Ze zingen: bin komé, kom eten' en bewegen hun hand naar hun mond. Beide handen gespreid in de lucht is bedankt voor de regen.' ‘Wanneer is hier de oogsttijd?' ‘In november. Men verbouwde bijvoorbeeld mashi chiki.' En ze laat me een gedroogd gewas zien wat het midden houdt tussen maïs en haver! ‘Hier werd meel van gemaakt en dat eet je 's ochtends'. Precies ja, een soort havermout. ‘Dit noemen we tapushi di mashi chiki.' ‘Maar wat verbouwen jullie dan?' ‘Pompoen, tomaten, paprika, komkommer, pinda's'. Natuurlijk, bedenk ik, dit zijn dingen die de mensen zelf in een tuintje verbouwen, als ze dat hebben. Maar waar zijn die dan? ‘En die hoorn die ik steeds hoor?' ‘Oh, dat is een 'kachu'. Of ze gebruiken ook een schelp. Weet u, vroeger op de plantages kon je hier boordschappen mee voortbrengen. Elk bericht had zijn code. Twee korte noten bijvoorbeeld.' ‘Hebben jullie niet nog eentje nodig?' lach ik, ‘Ik ben trombonist.' De Amerikaanse trombonist Steve Turre en ook mijn Puerto Ricaanse collega William Cepeda zijn heel bedreven in het bespelen van die grote schelpen. Ik heb ooit een hele grote stapel gezien op Bonaire, toen ik daar op tournee was met de Cubop City Big Band. Maar daar stond nadrukkelijk bij dat dat beschermd goed is, en dat je ze niet eens mag verplaatsen. Doe ik dan ook niet..maar ja, sta nu wel aan de kant. ‘Egbert, waarom zie ik hier maar vijf mannen op al die vrouwen?' ‘Ja, weet je, er zijn mannen die vinden dat dit nog al vrouwelijke bewegingen zijn.' Ik schiet in de lach. Natuurlijk! Ik zie mijn vader op de klompen met zijn pet op nog lopen met de zaaikorf over zijn arm met graszaad. Gras inzaaien. Hoe zo vrouwelijk? Die zaaikorf was van massief ijzer, loodzwaar. Zijn handen waren zo groot als die ‘chapi' zelf. Oké, je armen in je zij en zijwaartse schommelbewegingen maken...oké, dat zag ik mijn vader niet doen, nee... Dus toog ik vandaag Tweede Paasdag achter een groot aantal auto's aan (logische logistieke intuïtie), waar mijn huisbazin Jacqueline me in Februari naar toe gebracht heeft voor de carnavalsoptocht. En warempel, ik kom inderdaad op de Jan Noorduynweg. Daar heb ik drie uur onder tropenzon foto's gemaakt. En ervoer dat het loodzwaar is voor die vrouwen om zoveel uren in die traditionele kleding te blijven dansen. De weinige jongens hadden dezelfde hoeden als de Jibaros in Puerto Rico en de vrouwen dezelfde kleding als de bomba en plena dansers, met hun wijde rokken en prachtige hoofddoeken. Je ziet deze kleding overal in de Cariben, Suriname,Venezuela. Terwijl de zon op mijn rug brandt, denk ik ineens aan de twee koeien. Ik had even in de wei moeten kijken of ik geen afgestoten hoorn had gevonden... Of had ik er eentje moeten verlossen uit zijn lijden zoals op Goede Vrijdag..? Dan had ik nu met een koeiehoorn mooi op zo'n wagen mee kunnen blazen, in de schaduw, met een ijskoude Polar. Uit dankbaarheid dat ze de traditie behouden, ook al wordt het merendeel van de landbouwproducten geïmporteerd. |
| < Vorige | Volgende > |
|---|