Puertoricanen houden van feesten. Na de Kerstperiode, die een dag na Thanksgiving begint, volgen Drie Koningen, de Octavitas, de Fiestas de San Sebastián, en weken daarna duurt het nog uren voordat je op een zaterdagavond Viejo San Juan in kan door de file! ‘omdat iedereen nog doorgaat met feesten,’ zoals de drummer van het stijlvolle Jazz-restaurant Carli’s het zegt.
Aanvankelijk dacht ik dat Mapayey een plaats was. Dr en Mrs Salsa haalden me op het strand op de hoek uit mijn droom en vertelden me lachend dat het echt een naam was. Toch bijzonder dat ik deze salsapersonalities uit Amsterdam tegenkom op ‘mijn strand'. ‘Jouw strand? We hebben hier veertig jaar geleden gelogeerd,' en ze wijst op het ‘antikraakhuis' op de hoek, wat ik nota bene ooit nog bezocht heb met een makelaar. Ik was toen dringend op zoek naar woonruimte. ‘We hebben een eigen appartementje, goedkoop en leuk en vlak aan het strand. De eigenaar is een Cubaan,' zegt mrs Salsa. 'Dat is goed om te weten. Dan kunnen onze Caribemagazinelezers daar ook terecht. Kom morgen met mij mee naar dat feest van Mapayey. Geen idee waar het is en hoe laat, maar ik laat het jullie weten. Er komen altijd veel muzikanten. Dat is echt wat voor jullie!' beloof ik. Cacho de gitarist antwoordt keurig mijn berichten, geeft mij het adres, maar verzuimt te vermelden hoe laat het feest begint. Het is een bekend gegeven dat gitaristen slechte lezers zijn, en deze helemaal, maar hij is een geweldige muzikant, daarom ben ik ook bevriend met hem, ha! Dus ik gok dat zo'n evenement hier altijd 's middags begint. En zo sta ik de volgende dag om drie uur aan het hek van een gasthuis in de Ismael Rivera ook al weet ik niet zeker of dit het juiste Guest House is. Dr en Mrs Salsa logeren namelijk aan de andere kant van mijn woonwijk in een leuke Inn: Mont Caribe, in de Calle Ismael Rivera, genoemd naar de sonero mayor, een van Puerto Rico's geliefde zangers. ‘Bent u Cubaan?' ‘Nee, ik ben Dominicaan,' zegt een man die overeind komt om voor mij het hek te openen: ‘De eigenaar komt zo.' ‘Moet ik dan weer een kwartier wachten?' Geen geduld in dat lijf. Toch verschijnt daar meteen al een vlotte vent. ‘Staan Ira Goldwasser en Harriet Broekman bij u ingeschreven?' ‘Doctor Salsa?' vraagt de Cubaan geamuseerd. ‘Ja, dus!' denk ik opgelucht. ‘Er komt een vriendin van me uit New York logeren. Wat voor prijs heb je voor ons musici?' ‘Normaal 65 dollar per nacht plus koffie 's morgens, geen ontbijt dus. Maar vanaf vijf dagen krijg je korting,' stelt Fernando met een glimlach voor. ‘Nu behoort de Puertoricaanse koffie ook wel tot de duurste ter wereld,' zeg ik bijdehand. Het appartement is groter dan mijn eigen verblijf. Het bestaat uit een aparte slaapkamer, een keukentje. Leuk. Mijn eigen appartement is rustig en geschikt voor een persoon. ‘Mijn collega wilde ook een zwembad.' ‘Je hebt hiervóór één groot zwembad,' gebaart Fernando. Ja, daar ben je dan weer Cubaan voor, veel en groots. Terwijl ik met mijn laptop in de weer ben in de achterbak van mijn auto (de internetverbinding doet het) komt Dr Salsa met zijn karakteristieke witte Cubaanse hoed naar beneden en begint foto's te maken van mij. Het is natuurlijk ook een raar gezicht. Iemand bij de achterbak met een telefoon aan een oor en de handen op het toetsenbord. Aan de telefoon heb ik Cacho, die me de weg voor de vijfde keer uitlegt en ondertussen zijn kinderen tot stilte maant in zijn auto: ‘Cállense'. Ondertussen probeer ik mijn videogroet vanuit Puerto Rico voor het Jazz festival 2009 van Sint Maarten te versturen. Ik heb een broek aan, die ik twee jaar geleden in Puerto Rico kocht, dus dat wil zeggen: ‘strak, meisje'. Als we dan eindelijk vertrekken, knippert Ira met zijn lichten. ‘Qué pasó?' ‘Je rechterachterband is lek.' Ik vloek luidkeels onderweg naar het tankstation om mijn band op te pompen. ‘Nee, we hebben geen lucht.' Naar het volgende station driehonderd meter verderop. De telefoon gaat. Cacho. ‘Ik heb een lekke band. Moet die eerst oppompen. Ik bel je over een kwartier,' ratel ik amechtig. ‘Goed. Tranquila muchacha.' Aardige meneer pompt mijn band op voor een peseta, een kwartje, en vertelt me dat ik langs een garage moet. Op zondag? De telefoon gaat. Gryssel mijn engelbewaarder. ‘We zijn onderweg naar je.' ‘Geweldig, kind! Ik moet naar de Western Auto.' Dr Salsa heef gelukkig ‘all time.' ‘Oké, ik ben over een kwartier hier.' Bij de Western Auto liggen ze ook op zondag op de grond. De autoband wordt eerst helemaal nat gemaakt. Er is niks te vinden. De telefoon gaat. ‘Pik me maar thuis op,' zeg ik tegen Gryssel. Tien minuten later sta ik weer voor mijn huis. De Jeep van Paquita, Gryssel's zusje staat er al. ‘Ik ben zo verbaasd dat jullie mij kwamen ophalen!' Paquita woont in Santa Rita, zes kilometer verderop. Gryssel woont twintig kilometer verderop in Cayey. Samen rijden we weer naar de Calle Ismael Rivera om dr en mrs Salsa op te halen. ‘Niet te hard gaan, he,' vraagt Ira. No,no. En zo togen zij dan eindelijk naar de binnenlanden van Dorado in las Pinas. Paquita is een typische Latina. Haar dikke haren keurig gekapt, perfect in de make-up, Ray Ban op, nagels verzorgd én op de onmisbare hoge hakken, zelfs onder een spijkerbroek. Zelf draag ik nooit een spijkerbroek, veel te warm, en op hakken val ik om. Zo heb ik een week moeten oefenen toen ik ooit met een Musicalmeespeelde. Met lippenstift lijk ik op Zwarte Piet en dat is ook het enige moment in mijn leven dat ik ooit lippenstift droeg. Bovendien zou ik eruitzien als een clown als ik met lippenstift op trombone ging spelen. ‘Niet zo hard, Paquita.' Ik verlies dr Salsa uit het oog. En dat is weer erg Puertoricaans, als je achter iemand aanrijdt, dan heeft de voorste chauffeur zijn waarschuwingslichten aan, zelfs midden op de snelweg. Nadat ik hun de verkeerde afslag laat nemen (Cacho had gezegd 31, en ik maakte daar in mijn opwinding 13 van. Dat is een afslag ergens in San Juan) belanden we op het platteland. ‘Ik ben hier nog nooit geweest,' zegt Gryssel. ‘Oh, kijk!' De Hollander in het gezelschap leidt de aandacht af naar de eerste Friese koeien. Hup, op zoek naar de kerk, want het feestterrein ligt ernaast. Na dertig keer vragen en veertig keer omrijden, komen we bij een terrein met tweehonderd geparkeerde auto's uit. ‘Hier is het!‘ zeg ik, helemaal misselijk geworden van de bergwegen. ‘Dit is een Katholieke kerk,' aarzelt Gryssel. ‘Wat kan mij dat verrekken wat voor kerk het is, hier is het.' ‘Hoe weet je dat?' vraagt Gryssel. Dat is ook erg Latijns, dat twijfelende. Ze willen alles altijd zeker weten. En dat kan nou eenmaal niet in de Cariben. ‘Weet je nog de hekserij, de brujería? Toen jij me belde, wist ik dat jij me zou bellen. Hier naar rechts, daar is een parkeerplek, Paquita! ' ‘Als het hier niet, is ga ik naar huis,' zucht Paquita. ‘Stap uit en laat mij die maar ertussen zetten,' commandeer ik, in de veronderstelling dat ik met twee échte vrouwen op stap ben. Paquita zet die grote Jeep echter in een keer achteruit in de kleine ruimte. ‘May weet niet met wie ze op pad is!' grinnikt ze en ik schiet ervan in de lach. ‘Paquita está alborota', ya no baila el cha- cha- cha,‘ zing ik, een variant op het beroemde lied Cachita. Op hoge hakken gaan de zussen met kleine pasjes op weg. Met mijn Italiaanse sandalen dans ik vooruit. ‘Moeten we die berg op?' hoor ik achter me. Boven op de heuvel, naast de kerk ligt een uitgestrekte boomgaard waar een paar honderd mensen in de schaduw zitten voor een groot podium. We lopen het terrein op en ik zie al bekende gezichten. Grote koelboxen, schaaltjes met kaas en crackers. Die ken ik van het feest van kunstenaar Pablo Marcano, die een maand geleden zijn Renacimiento Caribeo hield. (http://www.marcanogarcia.com/) ‘Ik ga even een paar bekertjes zoeken,' zegt Gryssel: ‘waar zijn je vrienden?' Tussen de honderden mensen kan ik geen witte hoed ontdekken. ‘Ze zijn vast nog ergens een parkeerplek aan het zoeken. Ik kijk even of ik Cacho vind.' Ik loop naar het podium. Er speelt een groep jonge musici: een violist,conga, bongó, piano, bas en een cuatro. Cacho staat in een hoek en ik groet hem. Hij omhelst me en zegt meteen: ‘Véte, ga, speel een solo!' Dus ik pak meteen mijn trombone uit, de band is ‘cocinando', aan het koken. Op het moment dat ik mijn solo speel, begint het publiek te klappen en komt in beweging. Ondertussen vervloek ik de Puertoricaanse modeontwerpers vanwege de lage broekranden. Diós mio. De zangeres omhelst me, de congero geeft me een high five. Zodra ik het podium weer afstap, komen er van alle kanten felicitaties. Ik móet met haar op de foto!' hoor ik een meisje zeggen. Ik loop op wolken. Een man neemt me van top tot teen op. Meestal blijven de ogen dan ter hoogte van mijn boezem hangen. ‘Eh... ik moet zeggen dat u er goed uit ziet.' Ze spreken nog net niet in meervoud. ‘Es por parte de mi mamá.' Het is werkelijk ongelofelijk. ‘U heeft een goed lichaam,' Zijn ogen zakken naar beneden. Ja, dat komt door die broek. Mijn buikspieren zijn goed ontwikkeld doordat ik de hele dag trombone speel, maar ik ben wel een Rubens-mens. Hier levert mij dat een Sophia Loren-imago op. ‘U leeft gezond! U voedt u met een goed dieet,' gaat mijn bewonderaar verder. En dat met al die rijst en bonen, mojito en Medallas! ‘Zeg, als je zo doorgaat zo, ga ik je dadelijk geld vragen,' wimpel ik hem af. Ik stap naar Gryssel die me een bekertje geeft. Increíble. Komt er een andere man in mijn gezichtsveld: ‘Ken je me nog?' ‘Van het feest van Pablo in Gurabo?' ‘Nee, zie je wel, je hebt in Café la Plaza gespeeld in la Placita in Santurce.' Dat is waar ook. Hij heeft me toen de hele avond getrakteerd op bier en chicharones, gebakken kip, en kaasballetjes, gefrituurde gamba's, vaya qué dieta. 'Wat wil je drinken?' ‘Maakt niet uit als er maar alcohol in zit!' ‘Pitorro. Wil je Pitorro?' Zelf gestookte illegale rum. ‘Claro.' ‘Kom mee.' Ik word meegenomen naar het eind van het terrein. In een grote kring zitten glimlachende mensen. ‘U bent de trombonista de Holanda?' ‘Ze was maestra al Conservatorio,' zegt mijn begeleider, die Joe blijkt te heten, arts is en gek van muziek. ‘May, ik wil je voorstellen aan een van de grootste componisten van Puerto Rico,' wijst Joe naar een oud vriendelijk mannetje dat zit te glunderen: Edmundo Disdier. ‘Ja, ik ken u! Sterker nog, ik heb drie opnames van u die ik wil opnemen met Gryssel Ramírez.' ‘Gryssel. Dat klopt,' zegt hij zachtjes. Ik kijk omhoog naar het universum. ‘Hoe is dit weer mogelijk?' Ik vouw mijn handen, ‘voor mij een grote eer.' ‘Bel me,' zegt Edmundo. ‘Zeker.'
De uren verstrijken daarna als in een trance. Mensen willen met mij op de foto. Mannen én vrouwen. Als ik eventjes meespeel met een band, klinkt er al gejuich als ik opkom. Dr Salsa is inmiddels ook gearriveerd en loopt met zijn camera in de aanslag rond. ‘May Peters!' Pablo Marcano staat voor me. Hij geeft altijd een beetje licht met zijn grijze dreadlocks op zijn zwarte huid. ‘Pablo!' 'May, wat doe je in mei?' ‘Ik speel eind op het Jazz festival met Anastacia Larmonie in Sint Maarten.' ‘Ga met ons mee naar Cuba,' Hij neemt mijn hand. Ik ben perplex. Gastheer Mapayey stapt op me af. Eindelijk valt het kwartje. Het is Tony, met wie ik pitorro dronk op het feest van Pablo. Ik neem afscheid van mijn twee vriendinnen die om de haverklap met hun hakken in de vochtige aarde blijven steken. ‘Zie je wel, je moet hier blijven!' Dr en Mrs Salsa gaan ook terug naar San Juan. Doctor Joe brengt me als een ware caballero naar huis nadat we ontzettend goddelijk gedineerd hebben in Restaurant ‘Levi's op de Ponce d'Leon 1101. Daar kun je dus om een uur ‘s nachts een Mofongo gevuld met kreeft en garnalen eten, en mijn favoriete gerecht van gestampte gekookte groene banaan met chicharón, uitgebakken spek en knoflook. Puerto Rico , Isla del Encanto , eiland der betovering.
Als je naar la Isla del Encanto wilt, stuur een mail naar
Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
|