| Ponce, Ponce |
|
|
| Geschreven door May Peters | |
| Tuesday 21 December 2010 | |
Ik ken Ponce van de plena ‘Elena’, die ik lang geleden speelde met de Nederlandse salsaband Perfume de Salsa. Natuurlijk had ik toen geen idee wat ik zong, laat staan dat ik decennia later geregeld ‘de Parel van het Zuiden’ zou bezoeken, de barrio San Antón, waar de plena, een van de traditionele ritmes van Puerto Rico, vandaan schijnt te komen.
Sinds ik midden in het universum sta en dicht bij de Oceaan, gebeuren mij echt de meest verassende dingen. Een daarvan was een brief die ik in Nederland ontving van doctora Ileana Latorre. Zij vond mijn onderzoek erg belangrijk en stuurde me meteen ook een hele leeslijst, die ik zo hard nodig heb voor mijn ‘marco teórico’ (nog nooit van gehoord!). Vanuit Cayey vertrekken we dan in het donker, Christel, haar moeder en een hijgende hond door de donkere heuvelen. Ze wil mij niet laten rijden, want ze vindt dat ze zelf goed rijdt, naar Puertoricaanse begrippen dan... Paaaf, ‘¡Chucha!’.. een grote kuil, niet gezien. Ach, daarom betalen ze hier ook nauwelijks wegenbelasting. ‘Bel hem even op en vraag waar het is?’ zegt Christel. ‘Dat heeft hij je toch uitgelegd? Van Coamo op de 14 richting Ai Bonito,’ antwoord ik. En begin dan een hele lezing over het cultuurverschil tussen Puertoricanen en Nederlanders. Dat gebel de hele tijd. Dan gaat de telefoon: ‘Zeg, ik vertrek nu. Als ik in de buurt ben, dan bel ik, hè.’ Voordat ik iets heb gezegd van ‘ik ga wel naar beneden’, rinkelt een kwartier later de telefoon: ‘Zeg, ik ben in de buurt.’ ‘Jahaaa.’ Gaat tien minuten later weer de telefoon: ‘Zeg, ik ben er.’ Ik vraag me altijd af: ‘Hoe deden jullie dat vóór de mobiele telefoon?’ Ja, toen hadden ze beepers, dat weet ik nog. 1994. Dan gaf je een telefoniste een tekstbericht door, die dan een sms’je stuurde naar een beeper. En zo’n gesprek kon dan heel gemakkelijk de volgende wending krijgen: ‘Met May Peters.’ ‘¿Cómo?’ ‘Met May Peters!’ (Ik moest mijn naam altijd minstens twee keer zeggen, want in die tijd verstonden ze me nog niet zo goed…) Wilt u het volgende bericht versturen naar dit nummer: ‘ik speel vanavond met Eddie Santiago in Carolina. Zie ik je dan?’ telefoniste: ‘Oh, wat leuk! Waar spelen jullie?’ ‘Op de Plaza de Carolina.’ ‘Hoe laat begint dat?’ ‘Om negen uur’. Enfin, andere tijden, meer welvaart ook in Puerto Rico. Nu zie je dus druk bellende chauffeurs op snelwegen, in grote USV’s, vrouwen met van die lange nagels, die nauwelijks de cijfers kunnen intoetsen.. mijn god nog an toe! ’t Geeft niet hoeveel kuilen er in de wegen zitten, want daar rijden we met onze four-wheel drives allemaal lekker doorheen. Paaaf! Vandaar dat zo’n monteur zich ook zo’n gedrag veroorlooft, want hij heeft klanten zat! ‘Hij neemt trouwens niet op, want ze zijn natuurlijk aan het repeteren,’ zeg ik tegen Christel, die voor de zoveelste keer tegen moeder zegt: ‘Nee, mami, ik rijd voorzíchtig!’ ‘Hier ga ik het vragen,’ zeg ik als we bij een bar aankomen. Niks aan de hand. De jongens leggen me keurig de weg uit, einde T-splitsing, rechts, dan krijg je de 14 naar Ai Bonito. ‘Heeft die hond water?’, vraagt mami. Een gedoe om een hond wat ik sowieso al niet kan uitstaan. Hier rechts. De bergen in, een geklim. ‘Zou het daar zijn?’, terwijl ze naar links kijkt en dan evengoed doorrijden, hè. ‘Wat heeft ie gezegd?’ Ineens voel ik weer mijn Caribische Tom Tom. ‘Volgens mij was het echt daar. Kijk of je ergens kan omdraaien’, zeg ik. ‘Ay, nena, ben voorzichtig,’ zegt mami achterin. ‘Jaha, mami, ik bén voorzichtig’. Ze keert om en twee minuten later rijden we naar beneden een open sportcomplex op. Muziek. Tadaaaaa. Nou, snel alles meenemen, mijn spullen voor vier dagen. Ik hoor ‘Avísale a mi contrario’, de grote hit van Tito Rodríguez, die zijn concurrent van die tijd, de andere Tito (Puente) wilde zeggen ‘dat hij er klaar voor was’. Mijn hart maakt een sprongetje, want het is een van de nummers die ik gearrangeerd had voor mijn eerste ‘Fiesta Latina’-project in Nederland in 1996. Waaaa, al dansend kom ik binnen en iedereen zie ik glimlachen. Hartstikke leuk. Een klein mager wit katje zit naast mijn voeten, dat duidelijk van de honger verrekt. De ongelijkheid ziet men zelfs aan de huisdieren. Dit is nou mijn combinación perfecta: big band en salsa.
Na afloop komt een man glimlachend op me af. ‘Ik ben Mickey’. ‘Ahaaaa, jij bent de man van Ileana.’ ‘Sí, van Nana, ja. Wil je een Medalla?’ ‘Sabrosaaa, papá..’ De muzikanten blijken vooral leraren te zijn uit Ai Bonito en Coamo. ‘Ik heb je daar gezien met het orkest van Elías Lopés,’ zegt iemand tegen me. ‘Ja, dat klopt, dat is vier jaar geleden.’ ‘Je moet een keer naar Orocovis komen.’ Pucho, de orkestleider: ‘Weet je dat dat een heel bijzondere plek is?’ ‘Vertel’. ‘Mensen uit de hele wereld komen er om de energie te voelen.’ ‘Echt waar?’ ‘Het schijnt dat daar vaak UFO’s te zien zijn,’ zegt Mickey. ‘Waaaaatt?’, en ik denk aan mijn buurman Bruno die luchtverkeersleider was, de nuchterheid zelf, en die ook al zulke dingen vertelde omdat Puerto Rico op een bepaalde plek ligt… ‘Als ik in mijn hangmat ga liggen, val ik meteen in slaap,’ zegt Pucho: ‘complete vrede’. ‘Echt waar?’ ‘Ja, je moet een keer komen!’ Met plezier.
De volgende avond ga ik mee naar een concert van haar schoolorkest van de Universiteit. Ze is zenuwachtig, vertelt ze, nauwelijks geslapen. ‘Is dit geregeld? Hebben ze dat?’ Ik glimlach want ik herken het. Het concert wordt bedeesd gespeeld in een airconditioned theaterzaaltje met vijftig man publiek, voornamelijk ouders en het bestuur van de Universiteit. En bij de slotmedley van plenas worden ze los. He, hè. Na afloop rijden we ‘de señoriale stad’ in. Smalle bochtige straatjes met witte houten koloniale huisjes, met balustrades. ‘Dit de wijk van Jorge Arce en Hector Lavoe’, zegt Nana. Wauauw. El cantante de los cantantes, die de grootste salsazanger ooit zou worden bij Fania in New York, groeide hier op. Net zoals doctor Jorge Arce. We gaan tegenover het theater wat eten. En worden meteen begroet door twee gasten. Het blijkt de bassist van het Jazztrio te zijn met wie ik zaterdag ga spelen. De volgende ochtend heb ik interviews met haar en Mickey en zijn we zeker drie uur bezig om het concept van mijn thesis te bedenken. Ik bekijk haar doctoraal scriptie en val zowat om. ¡Increíble! ‘Het is belangrijk wat je doet, May. Het zou iets zijn voor een doctoraal,’ zegt ze glimlachend. ‘Denk je?’ ‘Ja,’ zegt ze beslist. Dios mío. Mijn maatje Ricardo uit Ponce, belt me op en hij komt me halen om even naar la Guancha te gaan. Wat heerlijk om mijn voeten in de Caribische Zee te dompelen. Ik sta altijd versteld van het verschil tussen de woeste noordkant, de Atlantische Oceaan, en de rustige zuidkant, wat ik zo goed ken van Curaçao, het kristalheldere water. Ricardo is vriend van het allereerste uur. ‘Toen jij nog ‘incredíble’ zei, in plaats van ‘increíble’. ‘Haaaaaaaa, ja, dat klopt. Man, Ricardo, dat was maart 1994, net na het Tumba festival in Curaçao!’ ‘We worden oud…,’ zegt hij glimlachend: ‘een Medalla?’ ‘Graag’, zeg ik terwijl ik naar vijf pelikanen kijk die door omstanders gevoerd worden op de kade. Caballero als Ricardo is, zet hij me een paar uur later ook weer bij de Universiteit af, want de schoolband speelt in Lages. De leerlingen staan al buiten te wachten op de bus. ‘Hoe zit dat hier? Zijn jullie al opgewarmd?’ vraag ik aan de studenten. ‘Bijna, maestra.’ Ik glimlach, ze weten kennelijk wie ik ben. ‘Ah, daar ben je,’ en de directora komt aangelopen. ‘Heeft u nog een paar tips voor ons?’ vraagt een student. ‘ Oh, ja.’ En ik laat hen een paar ademhalingsoefeningen doen, wat ze geweldig vinden. ‘Komt u bij ons in de bus?’ vraagt de een, nadat ik ze heb afgemat. ‘Nee, ze rijdt met mij mee,’ zegt Nana. Ik had het ook nog gedaan ook, maar goed. En glimlach, want het is zo’n oude oranje vierkante schoolbus. Zaterdag ’s 's Ochtends heb ik een ontzettend leuk interview met het meisje dat op kamers woont bij Nana. Zij houdt van bomba-dansen en wil farmaceutica worden! Dat noem ik nog eens een combinatie. En ze is ‘voll Puertoricaans, opdat je het weet!’ De Nationale kreet is ‘Yo soy boricua, para tú lo sepas!’ ‘s Middag. We moeten naar Arroyo, want daar is een bomba-festival. De bomba wordt altijd in een adem genoemd met de plena, de andere dans van Puerto Rico. En op dit festival komen zangers, musici en dansers van het hele eiland af. Hoewel je zelden een trombone ziet in de bomba, heeft mijn ervaring geleerd dat je altijd je toeter mee moet nemen. Altijd! Op het moment dat we in Arroyo arriveren speelt de schoolband. Nana kent uiteraard de dirigent. Het kleine harmonie-orkest zit langs de weg op een zanderige plek voor het café/restaurant. Ik ruik al van allerlei goddelijks. Dat klopt, want het eten wordt buiten bereid op een grote grill. De zon knalt me omver. Gauw maar een Medalla dan. ‘Een bijzonder woord van welkom aan percussionist Micky Alvarado’, hoor ik door de luidsprekers: ‘Aan la doctora Ileana Latorres…’ Ik zoek waar de man staat. En op het moment dat ik hem gevonden heb, hij is een van de percussionisten, zie ik Nana vooroverbuigen naar hem. ‘En welkom aan la maestra May Peters de Holanda, gran trombonista.’ Ik schiet in de lach. De trombonisten kijken me schuchter aan. En ze gaan een plena spelen. Vooruit dan. En ik hol naar de overkant om mijn trombone te halen. En zit een halve minuut later tussen de jongelui! Dat was het laatste nummer, en ik ga voor de variatie maar weer drank halen. ‘Deze zijn van mij!’ zegt de eigenaar van de bar. ‘Nou, wat aardig van u!’ Daarna neem ik de organisator die ons zo mooi welkom heette een interview af voor mijn onderzoek. Als ik klaar ben, staat er eten op tafel, ook van de baas. Gegrilde varkenshaas en tostones van pana. Wauw. Normaal maak ik die tostones van groene banaan. In stukken snijden van 3 cm. Een keer frituren in olie. Daarna pletten met een, juist ja, een tostonera, of gewoon de onderkant van een mok. En dan weer frituren. Maar deze vrucht, pana, heeft een goddelijke textuur. Ik word meteen helemaal lyrisch. Geen wonder! Je kunt ze niet in een gewone supermarkt krijgen. Daarvoor moet je inderdaad de boer op. Nou, dat wil ik nog wel een keer doen. En met een T-shirt van het festival keren wij huiswaarts. Want wij moeten door naar het jazz-optreden aan het meer bij Guayanilla. Met een Spaanse sjaal van mijn gastvrouw om, die ze heeft meegenomen van haar universiteit in Granada, komen we aan de rand van het meer, waar Andreu zijn bodega heeft. ‘Hij maakt de wijn zelf,’ zegt Mickey. ‘He?,’ zeg ik. Wijn drinken hier is sowieso al de helft van het genot door de tropische temperatuur, maar tropische wijn? En inderdaad. Ik ruik aan het glas, dat Nana trots voor me inschenkt uit een groene fles: wasbenzine, en dan bedorven. De wijn smaakt net zoals ie ruikt. Die fles is niet goed! Maar ja, aangezien Puertoricanen geen verstand van wijn hebben, word ik zowel door mijn gezelschap als de barvrouw raar aangekeken. ‘Kurk lekt, weet ik veel, maar dit is bedorven.’ Ze geeft me een andere fles. Idem dito. Nou, dan maar Medalla, weer! Het publiek is erg gecharmeerd van mijn spel, want ik krijg een gigantisch applaus. Dat komt natuurlijk door die wijn. Oké, de licor wat Andreu maakt is dan nog net binnen te houden, want ondertussen is het toch afgekoeld aan het meer en een kruidenbitter werkt altijd verwarmend. Toch heeft de drank invloed op het publiek want ze ik krijg nu zelfs ovaties. Als ik na afloop de bar inkom en Andreu me per se een witte wijn wilt laat proeven, komt een jongen op me af. ‘Speelde u vorig jaar met la Sonora Ponceña?’ ‘Ja.’ Groot spektakel en gejuich. ‘Zie je wel!!’ ‘Hoeveel heb je gewonnen?’ vraag ik glimlachend. Hij wilt meteen met me op de foto. Ik schiet in de lach. En daar komt Nana. ‘Ik heb iemand die is heel interessant voor je onderzoek: een antropoloog.’ Een zestigjarige, lange man komt op me af en begint gebrekkig Frans te praten. Zo interessant voor Puertoricanen als ze ook nog een andere taal kunnen spreken naast Spaans en Engels. Hij is antropoloog, advocaat en socioloog. ‘Ik ga je Mayo noemen.’ Op dat niveau ook meteen. Ik zeg je, die wijn deugt echt niet! Uiteindelijk kunnen we dan toch naar huis, nadat ik Andreu heb gezegd dat de wijn niet goed is. Hij neemt een slok van mijn glas. ‘Ja, zo smaakt ie altijd.’ Ay,ay, ay. Nou, ja, je kunt niet alles hebben, een fabelachtige plek, goede muziek, geweldig publiek en ook nog goede wijn… ? De volgende dag, mijn laatste dag van de tour moet ik om 12 uur in Coamo zijn, de geboorteplaats van Mickey, voor de radio-opname van het programma ‘Canto del Sur’. En natuurlijk moet Mickey op datzelfde evenement spelen, zodat ik keurig met hem mee kan rijden. ‘Jij hebt alle geluk van de wereld,’ glimlacht Nana. ‘Ja, dat heb ik.’ Ik krijg vijf prachtige boeken van haar mee. ‘Die lees je maar op je gemak en we zien ons snel!’, zegt de schat. Perfecto. De radio-opname is ditmaal buiten op de ciero, een heuvel die gebruikt werd door de Indianen. Je ziet overal gedenktekens. Ik word omhelsd door programmamaker Edgar en diens vrouw: Doris (aan wie ik het optreden bij Sonora Ponceña te danken heb). Wat is het toch heerlijk om overal met open armen ontvangen te worden! ‘Dit is een cadeautje voor jou,’ zeg ik tegen Doris, want ik weet dat ze een liefhebster is van de bolero. Ik overhandig haar de demo-cd die ik met Christel Ramírez, Thomas Boettcher en Daniel Patriasz vorig jaar in Nederland heb opgenomen. Ik praat over mijn onderzoek naar de culturele identiteit. ‘Ik ben er nu ook achter gekomen dat ik een Limburgse culturele identiteit heb én een Puerto Ricaanse. Als ik soñando con Puerto Rico hoor van Bobby Capó heb ik de tranen in mijn ogen.’ ‘De hecho, Bobby Capó komt uit Coamo, dames en heren,’ vervolgt Edgar voor de microfoon. Ja, daarom dacht ik ook aan hem. Doris zet onze cd op. En ik krijg zelfs luid applaus als ‘Ausencia’ afgelopen is, een klassieke bolero van een van Puerto Rico’s grootste componisten ooit: Rafael Hernández. Oudere mensen die inmiddels plaats hebben genomen op banken op het terrein kijken me glimlachend aan. Na afloop van het radioprogramma even boven op de top van de indianenheuvel iets eten in het restaurant, stellen de programmamakers voor. En dat is warempel een hele klim. Doris loopt rood aan. En ik ben ook blij als ik boven ben. Er komt een man glimlachend op me af. Ik ken hem wel ergens van, maar ja? Inderdaad, hij blijkt een percussionist te zijn en heeft een plastic colafles bij zich met oranje drank. Edgar snaait even drieborrelglaasje achter de bar. ‘Aha, pitorro. Mijn eerste dit jaar!’, roep ik verheugd uit. ‘van Guajave,’ zegt Rolando. Deze illegale rum is nergens te koop, maar met Kerst lopen altijd mensen met een fles op zak om uit te delen. ‘Felicidades,’ proost ik. ‘Felicidades.’ Daarna weer naar beneden, want Mickey had me gevraagd met zijn band mee te spelen, música típica. De muziek uit de bergen waar de cuatro, de Puerto Ricaanse gitaar een hoofdrol in speelt. Mijn trombone past er goed bij. Zo blijkt, want het publiek is weer enthousiast. Even later word ik ook voorgesteld aan de burgemeester, een jonge vlotte man, die mij ook verrast een hand geeft. Ze zijn het gewoon niet gewend dat er ook vrouwen een blaasinstrument spelen, laat staan iemand van buiten, die hun muziek speelt! ‘Wat vind je van deze middag?’ vraagt de MC en houdt me de microfoon voor. ‘Ik vind het hartverwarmend dat ik zo gastvrij ontvangen wordt hier Coamo. Het maakt ook niet uit waar je geboren wordt, want muziek is een universele taal die alle harten raakt.’ Even later tikt Rolando op mijn schouder, de pianist met wie ik gisteren gespeeld heb. ‘May Peters!’ Het is een va y viene van muzikanten. Terwijl Mickey alweer met een Medalla voor me komt aanzetten, komt Doris verheugd naar me toe. ‘El Topo komt!’ ‘Echt waar?’, roep ik. De componist van Verde Luz, een tweede hymne van Puerto Rico. Hup, maar weer even naar boven, waar ik kan genieten van een adembenemend uitzicht en nog een goddelijke pitorro. ‘Hij is onderweg.’ Ik weet dat hij vaak niet verscheen omdat hij zo’n liefhebber van pitorro en drank überhaupt was. Als ie nog wat wilde hebben, dan moest ie nu toch gas geven, want er zitten nog twee borrelglaasjes in de fles. ‘Schenk in,’ zegt Doris. ‘Hij heeft toch zijn adressen. Felicidades.’Salud.’ Als Antonio Valle dan verschijnt zie ik niks van een subiet alcoholtekort. Daar is bij mij ook allang geen sprake meer van. Het lijkt wel Limburg! Zondagochtend frühshoppen. Mijn god nog aan toe. Een geluk dat ik wat gegeten heb. Ik word aangesproken door een Jazzprogrammamaakster. Weer op de foto. Dat vinden Puertoricanen leuk. En dat kun je ook zien aan hun foto’s. De jongens hebben altijd een stralende tandpastaglimlach. En de vrouwen letten er altijd op dat een been voor het ander staat, a la miss Universe (die hadden ze dan ook vijf keer!). Ik word het podium opgeroepen en weer solo. Ik hoor el Tope improviseren op een pie forzado: Holanda. Een tien strofige rijmvorm, waarbij de pie forzado het slotwoord is. Het publiek geeft me een hartelijk applaus en ik ben verguld door zoveel warmte. De Ceremoniemeester zou de dag erna op Facebook een bericht achterlaten waar ik zelfs verlegen van werd. En hoe ik thuis kwam? Met Christel, waar ik bleef slapen en die me dag erop keurig in Condado afzette. Hoeveel geluk kan een mens hebben…
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|