|
Twee weken geleden haalde ik een Nederlandse collega Miek-Miek van het vliegveld. Het was half elf ‘s avonds, een tijd dat ik normaliter te ruste lig, net als trouwens heel Puerto Rico. Ik heb daardoor een nieuw beroep erbij: dat van evenementenbegeleider. Voor een zak drop (hard en zout) doe ik al veel! Het dagschema is dat mijn gast overdag vrij heeft en naar het strand kan.
Tegen de tijd van het aperitief heb ik een piña colada klaar of een Mojito. Ik ben dan zo blij met mijn muntplantje dat ik voor nog geen 2 dollar kocht. Na het diner gaan we gericht op pad. Dat is om tien uur ’s avonds.
Woensdag: naar Viejo San Juan. Ik moest per se van de eigenaars van het Nuyorican Café een keer langskomen als hun huisorkest speelde. Nuyorican Café is een populair etablissement vlakbij de Calle San Francisco. De naam is een verwijzing naar Puertoricanen die in New York zijn opgroeid en naar de Puertoricanen die in de VS wonen.
Als we er om half elf arriveren, verwelkomt Juanra, de baas met paardenstaart en baard, ons stralend. 'Zijn de jongens er nog niet?' vraag ik. ‘Nee, je weet, die komen altijd laat.’ Het valt me op dat hij niet ‘te laat’ zegt. ‘Te laat’ komt in de Cariben nooit iemand.
Acht jaar geleden werd dit ‘kunst’-café geopend. Het echtpaar houdt van salsa en bellas artes. Ik was hier voor het eerst tijdens het Charanga-evenement een maand geleden met de band van bassist Polito Huerta, die tussen twee haakjes alle legendarische platen van Eddie Palmieri heeft opgenomen in de jaren zestig en zeventig.
‘Onze dochter hebben we Montuno genoemd. Je moet komen als ons huisorkest speelt! Wauw, dat wordt een geweldige rumba. Drie trombones en wat voor trombones!’ zei Juanra toen. ‘Goed, dan gaan we even een biertje drinken bij Enrique,’ zeg ik: ‘Een van die twee trombonisten is een student klassiek trombone, formaat klerenkast.
En die gast blaast zo hard dat ik denk dat ie zijn hersenen heeft beschadigd. 'Weet je dat ie je een gehoorletsel voor de rest van je leven kan bezorgen? Zoveel talent, maar hij is echt niet goed wijs,’ zeg ik tegen MM: ‘De andere is mijn opvolger op het Conservatorium, een jonge mulato met dreadlocks die meestal een zonnebril op heeft.’
We lopen naar beneden. De Middeleeuwse vestigingsstad is op een heuvel gebouwd. ‘Hier heb je de Brouwerij Old Harbor. Ze maken zelf bier. Ooit speelde ik hier op het Oktoberfest voor de ‘Deutsche Verein’. Toen liep ik met een grote grijns rond, want ik speelde toen de liedjes die ik als twaalfjarige leerde van mijn vader en van de prinsenkapel.
Zie je het voor je: ‘Es gibt kein Bier auf Hawai’ onder de tropenzon?’ Enrique is in het kantoor, maar hij komt meteen en wenkt een serveerster. ‘Drink iets van mij. Wat wil je hebben?’ ‘Doe mij dat lichte bier. Hoe heet dat ook alweer?’ ‘Coquí,’ zegt Enrique. Dit bier heeft wat weg van Leffe Blond, maar is niet zo zwaar. Voor mijn collega haalt hij een donker bier.
Ze sluiten de zaak, maar voor ons is de boodschap ‘bijven jullie hier. Geniet van je drankje’. We krijgen halverwege nog een glas voorgezet.
Op vrijdag is er live jazz door mijn studenten van het Conservatorium. De drummer heeft zich uitgeschreven voor een semester om te schnabbelen. Niet te geloven met welk gemak dat ook zomaar kan. Met onze buik vol bier (vooral ik) komen we rond middernacht in Nuyorican Café aan.
‘Waar waren jullie?’ gebaart Juanra al.
De pianiste, Juan’s vrouw Marisol, glimlacht en wenkt ons. Een half uur later spelen we in de rotherrie mee. Om drie uur komen we thuis, doodmoe en ook nog eens doof.
Dag 2: Ik heb mijn vriend Junior Rivera beloofd om met hem mee te spelen in het Marriott Court Hotel in Isla Verde. Daar aangekomen speelt wel een andere band, maar niet mijn maatje uit 1994. Daarom gaan we toch naar de Placita, het marktplein in onze wijk Santurce. In de Calle Canals zijn de markthallen overdag geopend.Daar koop ik altijd zelfgemaakte Pique, een flesje vol water met pepers en kruiden. Goddelijk!.
Donderdag en vrijdag is het hier te doen. Doctor en mrs Salsa staan dan rond de plenero’s die op straat spelen. Het is er altijd druk, al zie ik geen bekende musici. Wel een stralende Dr Salsa. Doctor en mrs Salsa staan rond de plenero’s die op straat spelen.‘Miek-Miek is daar in het café. There is a live band.’ Ik kijk om. Nee, dat ken ik niet, maar ze is onder de pannen. Prima.
‘Dan ga ik even naar Cafe La Plaza,’ roep ik, waar mijn jazzcollega’s Kacho en Hector Matos altijd spelen. Pianiste Brenda Hopkins is er ook en glimt als ze me ziet. Ik word uitgenodigd om aan een tafel plaats te nemen door een onbekend echtpaar. ‘Wat speel je?’ Ik raak meteen in gesprek met dit aardige stel. De saxofonist speelt. ‘Wauw!’ roep ik uit. ‘Hij heeft met Rubén Blades meegespeeld,’ zegt mijn tafelgenoot.
Zie je wel! Zulke mooie noten. De saxofonist gebaart naar me, meespelen moet ik. Ik pak mijn trombone uit. ‘Ken je ‘Cuando vuelva a tu lado?’’
‘Nee, geen idee! Maar begin maar.’ Als ze deze samba inzetten, blijk ik die wel degelijk te kennen: ‘What a difference a day makes.’ Er bestaat altijd een Spaanstalige versie of een Spaanstalig origineel. ‘Somos novios’ kan ik niet uitstaan, maar de cover heet ‘It’s impossible’ en daar ben ik dan weer weg van.
Het publiek is heerlijk enthousiast. Aan het eind van de set haal ik MM. Tenminste, dat is mijn bedoeling. Ik neem de trombone mee en ga naar dat onbekende café waar de Cubaanse son me tegemoet schalt. Hé? Dat hoor ik hier zelden.
Ik wist niet eens dat hier Cubaanse muziek gespeeld werd. MM staat op een podium onder het dak tussen een stel Cubanen te soleren. ¡Vaya! Dokter Salsa in zijn witte pak en witte hoed is hier in zijn element. Met alle respect, maar ikzelf ben niet zo weg van het strakke schema van Cubaanse muziek: op het moment dat de band gaat koken, komt Fidel met zijn bewind en moet er een pianosolo tussendoor gespeeld worden.
Dat treft, ze hebben geen piano, alleen een tres, goed zo! De musici hebben mijn trombone in de gaten en gebaren. Voordat ik het weet, sta ik weer in de herrie een mambo te spelen. MM staat naast een rastazanger of ze al bij het meubilair hoort.
En ik moet even later een trap op met veel te grote treden. De man beneden meent mij toch nog even tegen mijn billen te moeten duwen. Er spoelt weer een golf van enthousiasme over ons heen. Deze club wordt gerund door een Venezolaan.
Hoe doen die Latino’s dat toch? Gewoon naar de VS komen en werken? Enfin, de Cubaanse rasta gaat ons ‘zeker bellen’... Praten kunnen ze hier ook goed.
Vrijdag, dag 3: Il Jazz Club in Rio Piedras, mijn oude woonwijk, de nieuwe jazzclub van de Italiaanse Valentino. Deze avond geen jazz, maar een grupo folclórico die rumba, plena en bomba speelt. Vrouwen vragen ons verrukt of we mee gaan spelen. De zanger komt op me af. ‘Ja, ze zeiden dat je hier was! Ik ken je van de rumba in Carolina, van heel lang geleden!’
Ongelofelijk, dat hij zich die legendarische dag nog herinnert. Ik was toen voor het eerst op zo’n muzikale bijeenkomst op de hoek van de straat. Drie congero’s die speelden, mensen zongen coro en dansten. Een vriendin had me toen gebeld dat ik meteen moest komen.
In mijn Cutlass Supreme ging ik erheen, maar ik kreeg niet eens de kans om haar te begroeten. Want terwijl ik om de mensenmenigte liep, hoorde ik ineens: ‘Waar gaat die trombone naartoe?’ ´Uitpakken en meespelen.´ ‘Had jij geen blond haar?’ vraagt Javier nu. ‘ Zeg, ben jij gek geworden? Ik heb altijd zwart haar gehad’ Die Puertoricaanse haarverf is killing, dat is het. In de derde set volgt een magische scene van bombadansers. Miek en ik worden bevangen.
Zij nog meer dan ik, want plotsklaps staat zij ook te dansen. En nog goed ook! Ze wilde danseres worden ooit, zei ze. Puerto Rico is het land van de bomba. Een vrouw in de twintig lijkt een professional hierin, met een getraind lichaam, een heuploze spijkerbroek, plateauzolen, blonde krullen.
Ze vormt een perfecte match met de subidor-speler, de kleinere trommel. Haar felle bewegingen: de piquetes, normaal zijn dat de bewegingen met een rok, worden op de voet gevolgd door Angel del Valle die de subidor speelt. De wisselwerking tussen beiden is indrukwekkend!
De concentratie van Angel en de schokkende bewegingen van de danseres. Het wordt me ook duidelijk wat dat met mij en de Cariben is. De mengeling van volken: de Spanjaarden, Fransen, Engelsen en Hollanders met de Afrikanen en Indianen. Zoals Elías Lopés al zei: ‘In elke familie heb je ergens un negrito.’
Hier zie je die vrouwen met van dat prachtige lange krulhaar. En dan de muziek die alle tinten met elkaar verbindt. Toen ik percussieles had van mijn collega op het Conservatorio ontdekte ik dat er een bomba bestaat die ‘holandés’ heet. Kan je nagaan!
In de pauze komen de mensen op ons af. ‘Jullie zijn uit Holanda?’ ‘Sí.’ ‘Hoeveel jaar woon je hier al?’ vraagt een man aan Miek en biedt ons een Medalla aan. Zij schiet meteen in de lach! ‘Zij woont hier,’ wijst ze naar mij. ‘En jij bent hier drie dagen, dat zijn dus tropendagen. Dus...wat zullen we zeggen...?’ lach ik. ‘Drie jaar?’
Zaterdagmiddag gaan we naar Cayey in de bergen, waar mijn vriendin Gryssel Ramírez moet zingen. We vinden warempel de weg. Gryssel is zo blij dat we met haar mee komen spelen in La Isla Bonita. Het is een restaurant met een groot terras en een verpletterend uitzicht op de top van de heuvels.
Volgens Miek lijkt het op Zwitserland. De enige overeenkomst is dat het een houten hut is, inderdaad. Maar de auto’s, de mensen en de knallende zon heb ik nog nooit in Zwitserland meegemaakt. Andrés, de cuatro-speler vraagt ons meteen wat we willen drinken.
Ik kijk op de klok om me enigszins te beschermen. De vijf zit al in de klok, het mag: ‘Een droge witte wijn.’ Miek drinkt keurig water, ze kan niet tegen alcohol, zegt ze, als ze speelt. Nou, een uur later ligt ze met haar saxofoon languit op een tafel, danst ze de limbo onder mijn trombone door (allemaal op water). Die hele tent staat op de kop.
De jongens komen ook niet meer bij. ‘Brasiiiiiil’ en iedereen mee zingen. Wat we willen eten, vraagt Andrés ons twee uur later. ‘Zoek maar rustig wat uit...en confianza,’ zegt hij. We gaan meteen voor de mofongo, geplette groene banaan met knoflook en uitgebakken spek vermengd, gevuld met garnalen. Miek neemt daarbij de Creoolse salsa van tomaten, ui en cilantro en de ajillo.
Na vier uur zijn we helemaal door onze energie heen, maar we moeten nog even naar een andere tent. Gelukkig is het daar lang niet zo leuk. We logeren in Gryssel’s huis in Cidra. De volgende ochtend wordt Gryssel al om half negen wakker gebeld. Of ze die middag kan zingen in dezelfde tent. Miek komt erachter dat ze haar zonnebril er heeft laten liggen, dus wij gaan de heuvels in achter Gryssel aan.
‘Het is carnavalszondag in Limburg,’ zeg ik, als ik een vrouw met een feestelijke uitdossing zie. ‘Hier vieren ze dat niet.’ Jawel, meent de vrouw. Ze komt uit Ponce. In het zuiden schijnt een optocht te zijn. ‘En dat zal het dan ook wel zijn,’ zeg ik, terwijl Andrés me alweer een goddelijke Chardonnay brengt.
‘Nou, zullen we dan en nummertje meespelen?’ vraagt Miek breeduit lachend. ‘Ja, ik hoor het d’r nog zeggen,’ antwoord ik. Hetzelfde ritueel. Mensen raken door het dolle. Ik zit in ene ook bongós te spelen, want de percussionist is er niet. Andrés heeft een glimlach van oor tot oor op zijn gezicht: ‘Jij bent echt ‘brutal’.’
Nou, degene vanwie wíj echter onder de indruk zijn, is de ober. Een jong mannetje van in de twintig. Hij neemt een gitaar en wij slaan allebei steil achterover. Onvoorstelbaar, wat een stem, wat een emotie en dan die ogen! Miek en ik zijn verpletterd. Hij heeft een snik in zijn stem en van die Cockers Spaniel-ogen die regelrecht je hart in schieten.
Andrés vindt dat Miek vanwege haar commerciële waarde moet blijven. We moeten een tour maken door Puerto Rico. Wie dat kan regelen is Chaveta, de gitarist. ‘God, hij ziet er uit als een politieman!’ ‘Ja, en erger nog, zo speelt ie ook,’ zeg ik. Dus dat kunnen we schudden.
En zo gaat het de tweede week ook. Elk avond zijn we op pad. Donderdag naar het festival de Claridad, waar Gran Combo speelt voor duizend mensen. Gryssel gaat mee, hup, mijn knappe homobuurman Chris met zijn knalblauwe ogen ook mee.
Backstage is het voor mij een grote reünie. De jongens van Gran Combo had ik eind november in Amsterdam gezien. Het was heel leuk om collega’s te ontmoeten die ik tien jaar niet meer gezien had. Zaterdag in het Jazz cafe van Carli’s gespeeld in Old San Juan. Ze gaan er zelfs met een glas rond voor ons.
De dag erna heb ik mijn absolute muzikale dieptepunt meegemaakt op het Festival de Claridad. Met zo´n slecht orkest heb ik nog nooit gespeeld! Victor van de Santeria verjaardag had me gevraagd mee te spelen. Dus Miek en ik reden naar het Hirtham Bithorn Stadion. De trompettist bleek een volslagen gek.
´Ik oefen nooit´ Kan je het je voorstellen? ‘Zal ik met demper spelen?’ vroeg hij met een hese stem. ‘Nee, natuurlijk niet.’ Hij bleek natuurlijk geen embouchure te hebben. Miek speelde mee. Zij heeft klinische psychologie gestudeerd en had meteen in de gaten dat de gast gewoon stomdronken was.
En dan al die studenten van het Conservatorio die rond de bühne liepen. Ik wilde me onzichtbaar maken. ‘Wij zijn hier totaal overbodig,’ zei M tegen me. Dan gebeurde er een wonder. Bandleider Victor heeft het over een Blues. En stelde mij voor aan het publiek.
Ik krijg een feature in ‘Lover Man’. Aangezien die pianist nog geen enkele keer onze kant uitgekeken heeft, liep ik naar hem toe. ‘In Fa’ zei ik nog tegen hem (de originele toonsoort, maar je weet nooit waar ze toe in staat zijn). En dan volgde er een intro, totaal niet in Fa. Waar zit die gast? dacht ik nog.
Hij begon met Fm, terwijl hij zijn ogen sluit en zijn oren volgens mij ook. En in opperstee concentratie poogde hij de ballad van Sarah Vaughn in As te spelen. ‘Ja, ik dacht wat speelt May die melodie creatief,’ zou Miek later zeggen.
Ik riep Miek erbij voor een solo op dat grote podium. En hoorde nog een of ander dier in nood. Dat bleek die trompettist die er met een demper doorheen zit te fiedelen. Houd je kop. ‘Komt hier ook een eind aan?’ lachtte Miek onder het spelen.
Wat normaal altijd vanzelf gaat met welke muzikanten we dan ook spelen, leek nu onmogelijk met een stelletje autisten. Desondanks kregen we een daverend applaus, als je kan spreken van daverend bij een publiek van zestig mensen.
Een Antilliaanse jongen zou me later aanspreken en zeggen dat hij zo trots is op ons. 'Uit Nederland! Yes, dacht ik,' zei hij stralend. Dat is ook voor het eerst dat ik dat hoor van een Caribische Nederlander. Gelukkig snapt de man dat musici geen grenzen kennen en muziek een universele taal is die verbroedert!
|